Opinie

Volop werk, maar toch werkloosheid. Hoezo?

Menno Tamminga

Meer Nederlanders werken dan ooit tevoren, maar toch staat de werkloosheid niet op recordlaagte. Wat is er mis? De spanning op de arbeidsmarkt is te snijden. Je zou verwachten dat werkgevers die markt afgrazen om vacatures te vervullen, meer loon bieden, winstdeling of extraatjes. Dan zou de economische piek zich vertalen in een laagterecord voor de werkloosheid. Niet dus.

Eind 2018 stonden er 80 vacatures tegenover elke 100 werklozen, rapporteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) twee weken geleden. Aan het eind van de vorige economische hausse, in het derde kwartaal van 2008, waren dat 79 vacatures. Vandaar die recordkrapte. De kredietcrisis brak de hausse van 2008 af. De economie stortte in.

Tegenover de recordkrapte op de arbeidsmarkt staat nu een werkloosheid van 3,6 procent van de beroepsbevolking. Laag, maar geen record. Zelfs niet in de categorie 25- tot 45-jarigen, wat toch de favoriete visvijver van werkgevers moet zijn. Die mensen zijn beter opgeleid dan oudere collega’s. Ze zijn in de bloei van hun leven. De werkloosheid in deze groep is nu 2,7 procent en licht stijgend. Zeker, het percentage is laag, maar ligt niet op 2,2 procent van april 2008. Hoe kan dat?

Lees ook deze analyse van de stand van de economie: Geen recessie, maar het gevaar is nog niet geweken

Allereerst die vacatures. Het CBS doet elk kwartaal een steekproef bij werkgevers. Vacatures zijn wensen. Nieuwe mensen zijn schaars, ik overvraag als werkgever. Ik geef vijf vacatures op, misschien vervul ik er twee. De vacatures meten de gevoelstemperatuur van de economie.

Werkloosheid is concreter. Dat roept de vraag op: wie is er nu werkloos bij economisch hoogtij, of nog preciezer: wie is er langdurig werkloos? Langdurig is in de CBS-definitie: langer dan een jaar. In 2018 ging dat om 117.000 werkzoekenden. Van hen hebben er 28.000 een opleiding op hbo- of universitair niveau. Waarom komen zij niet aan de bak?

In 2018 vormden de 117.000 langdurig werklozen 33 procent van het totaal aantal werklozen. Dat is ruim 3 procentpunt meer dan in 2008, de vorige economische piek. Dat kan verklaren waarom de recordkrapte op de arbeidsmarkt niet samengaat met een recordlaagte van de werkloosheid. Er is een grotere groep werklozen ontstaan die ook in een hoogconjunctuur geen baan vindt.

28.000 langdurig werklozen hebben een opleiding op hbo- of universitair niveau

Als je verder grasduint in de cijfers van het CBS, wordt één kenmerk van deze groep duidelijk: ze zijn ouder. In de CBS-definitie: ouder dan 45 jaar, jonger dan 75. In 2008 vormden ouderen 59 procent van de langdurig werklozen, nu is dat 68 procent.

Komen zij ooit nog aan het werk als het zelfs niet lukt op de piek van de economie? De optimist zou zeggen: investeer in jezelf en alles komt goed. Of: als de lonen voor (jongere) medewerkers met de meest actuele kennis lekker omhooggaan, worden oudere werklozen, die wellicht bijgespijkerd moeten worden, aantrekkelijker. Maar waarom zouden de lonen stijgen? Instructief was de recente reportage van collega John Hoogerwaard over de werving van extra dierenartsen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Die rekruteerde de nieuwkomers niet in Nederland, maar in Oost- en Zuid-Europa. Je hoeft dus de beloningen in Nederland niet te verhogen, want de nieuwkomers zijn zo ook dik tevreden. Een baan én fijne Nederlandse lonen.

De pessimist zegt: Nederland moet zich instellen op een vaste kern van oudere werklozen. Gezien de vergrijzing en de technologische revolutie zal hun aantal de komende decennia zelfs groeien. Werkgevers weten zich met hen geen raad om dat recordaantal vacatures te vervullen. Da’s zuur.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.