Van nationale held tot falende sporter

Aad Haverkamp Cultuurhistoricus In het genre van de sportbiografie veranderde de hoofdrolspeler van alledaags, naar dwars, naar een gevallen held.

In de Koninklijke Bibliotheek vond Aad Haverkamp exemplaren van de zeldzame biografieën die hij onderzocht.
In de Koninklijke Bibliotheek vond Aad Haverkamp exemplaren van de zeldzame biografieën die hij onderzocht. Foto Lars van den Brink

Journalist Joris van den Bergh hield zich niet in toen hij in 1929 zijn pen in rood-wit-blauwe inkt doopte om wielrenner Piet Moeskops te beschrijven. Ondanks al zijn succes was deze vijfvoudig wereldkampioen sprint een „echte knoerstige en weerbarstige, maar toch ook weer fideele Hollander” gebleven, die „de zanderige kluiten van zijn geboortegrond liefheeft boven het water-vlakke moderne plaveisel in den vreemde, die de stapeling der bonkige luchten en den dreigenden aanblik van het loodgrijze kolkende water prefereert boven het strakke azuur en het glanzende vert mineral van daarginds”.

Van den Berghs boek is met zijn hoogdravende, nationalistische toon die tegelijkertijd de gewoonheid van de held benadrukt typerend voor de eerste generatie sportbiografieën die in Nederland verscheen, zegt cultuurhistoricus Aad Haverkamp. Hij promoveert deze week aan de Radboud Universiteit op de dissertatie Biografieën in beweging, waarin hij een selectie van de 208 sportbiografieën analyseert die tussen 1928 en 2014 in Nederland zijn gepubliceerd. „Het boek van Van den Bergh is bijzonder omdat hij een lans breekt voor het genre van sportbiografie. Hij schrijft dat er tot dan toe vooral biografieën over wetenschappers en kunstenaars zijn verschenen, maar dat het nu tijd wordt om ook het levensverhaal van sporters te vertellen.”

Het genre waarvoor Van den Bergh een lans breekt, heeft de afgelopen jaren een enorme groei doorgemaakt, concludeert Haverkamp. „De eerste 50 procent van alle sportbiografieën verscheen tussen 1928 en 2004, de andere helft in de tien jaar erna. De meeste boeken gaan over mannen: slechts 10 procent van de levensbeschrijvingen betreft een sportvrouw.”

Over welke sporters gingen de eerste biografieën?

„Voetballers en wielrenners waren het populairst – en dat is grappig genoeg nog steeds zo. Leo Lauer had in 1928 de primeur, met zijn boek over de wielrenner en schaatser Jaap Eden. Het jaar daarop kwam Van den Berghs boek over Moeskops. Abe Lenstra was de eerste voetballer die een biografie kreeg, maar dat was pas in 1948.”

Wat wilden de schrijvers van deze biografieën bereiken met hun verhaal?

„Ze hielden de bevolking het ideaalbeeld voor van een Nederlandse held. Die moest vooral heel alledaags en gewoon blijven, ondanks zijn succes. De auteurs benadrukken dat ze hun hoofdpersoon niet op een voetstuk willen plaatsen. Dat was voor de Tweede Wereldoorlog al zo, maar na de bevrijding was men helemaal voorzichtig met het ophemelen van de daden van sporters. Dit sloot aan bij een maatschappelijke discussie over het gevaar van ‘sportverdwazing’ bij het grote publiek. Klaas Peereboom besloot in 1948 zijn biografie van Abe Lenstra met de conclusie dat hij aardig tegen een bal kon trappen, maar dat hij daarom nog geen übermensch was.”

Hoe vond de maatschappelijke omwenteling van de jaren zestig zijn weerslag in het genre?

„Je ziet dat sporters steeds meer als zelfbewust en assertief worden geportretteerd. Het anti-autoritarisme klinkt duidelijk door in de biografieën. In elk boek in de jaren zeventig en tachtig komen conflicten voor, waarbij de biograaf de kant van de sporter kiest. Dat zijn vaak uitingen van een opstand tegen het gezag, van een uitdaging van de traditionele hiërarchie. Johan Neeskens die op zijn eerste training de aanvoerder onderuit durft te schoppen: dat vond men mooi.

„Dit is ook de tijd dat de consumentensamenleving vorm krijgt. En dus is er meer aandacht voor geld, transferbedragen en zakelijke conflicten. Sporters komen er eerlijk voor uit dat ze zoveel mogelijk willen verdienen. En ze tonen hun status graag met behulp van mooie auto’s en verre vakanties.”

Rond 1990 ziet u een nieuwe ontwikkeling: de sporter wordt steeds meer afgebeeld als een kwetsbaar mens.

„Dat klopt. Biografen gaan op zoek naar het gevoelsleven van sporters. Een mooi voorbeeld vind ik de biografie over zwemmer Marcel Wouda van Mark Hoogstad uit 2001. In het boek wordt ingezoomd op Wouda’s onzekerheden en angsten. Ook vertelt hij over ongewenste intimiteiten van een behandelend arts. Dat waren voor die tijd vernieuwende thema’s.

„Het is ook interessant om te zien dat er vanaf de jaren negentig anders wordt geschreven over blessures. Tot die tijd leek het alsof blessures vanzelf voorbijgingen, maar nu wordt duidelijk gemaakt dat het herstellen van een kwetsuur ook een zwaar mentaal proces is waar sporters doorheen moeten.

„Fysieke pijn wordt gekoppeld aan geestelijke pijn. Het woordje ‘mentaal’ kom je vanaf dit moment steeds vaker tegen.”

Ziet u de recente bestsellers over getroebleerde voetballers als René van der Gijp en Glenn Helder als onderdeel van deze trend?

„Nee, ik constateer rond 2005 een nieuwe breuk in het genre. We zijn beland in de fase van de gevallen helden. Er verschijnen nu boeken over sporters die niet per se heel succesvol waren, maar wel een flamboyant leven hebben geleid. Succes wordt losgelaten als criterium voor een biografie: de aandacht wordt verlegd naar begane misstappen. René van der Gijp was wel een goede voetballer, maar hij heeft niet alles uit zijn carrière gehaald, is toch het idee. Gijp van Michel van Egmond werd echter een enorm succes. Van dat boek zijn volgens mijn laatste informatie 340.000 exemplaren verkocht. In het boek over Glenn Helder, dat Van Arsenal naar de bajes heet, speelt het voetbal helemaal een ondergeschikte rol. En dat je kwaliteiten als sporter er niet altijd meer toe doen, blijkt bijvoorbeeld ook uit de publicatie van het boek Gerard den Haan: schoppen en slaan. De slechtste voetballer van Nederland. Die ondertitel zegt alles.

„Wat mij fascineert is dat er de afgelopen jaren tegelijk met dit genre van boeken over de falende sporter ook biografieën verschijnen over sporters van wie juist hun voorbeeldigheid wordt benadrukt, zowel binnen als buiten de arena. Ik denk dan aan boeken over Sven Kramer, Ruud van Nistelrooij en Lornah Kiplagat. Die leven niet alleen voor hun sport, maar houden zich daarnaast ook nog met allerlei goede doelen bezig. In de manier waarop ze worden beschreven lijken ze een beetje op ideaalfiguren als Jaap Eden en Piet Moeskops, maar dan wel een stuk menselijker.”

Zijn anno 2019 alle taboes verdwenen?

„Ik denk dat je de ontwikkeling van de sportbiografie kan vergelijken met het steeds verder opengaan van een kleedkamerdeur. In de eerste decennia stond die deur op een heel klein kiertje, maar sinds de jaren zestig is hij steeds verder opengegaan en inmiddels kunnen we alles zien wat zich in de kleedkamer afspeelt.

„Ik zie nog één taboe dat de komende jaren kan worden geslecht: dat van een homoseksuele voetballer die uit de kast komt. Michel van Egmond heeft aangegeven dat het hem interessant lijkt om zo’n boek te schrijven, dus ik ben benieuwd wanneer zich iemand meldt.”