NRC checkt: ‘Mannen stijgen makkelijker in de wetenschap’

Dat zei hoogleraar Marceline van Furth in een interview in Trouw over de positie van vrouwen in de wetenschap.

Foto Evert-Jan Daniels/ANP

De aanleiding

In een interview met Trouw op 9 februari pleiten Marceline van Furth, hoogleraar kindergeneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam, en haar echtgenote voor #Itoo, naast #MeToo. Ze vinden dat vrouwelijke wetenschappers jonge vrouwen in hun vakgebied moeten steunen om verder te komen. Van Furth: „Het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren heeft berekend dat het bij iedere carrièrestap voor een vrouwelijke promovendus moeilijker wordt om de volgende stap te zetten. Bij mannen is dat andersom: iedere volgende stap wordt makkelijker.” We checken die tweede stelling.

Waar is het op gebaseerd?

In de Landelijke Monitor Vrouwelijke Hoogleraren loopt bij elke hogere wetenschappelijke rang het percentage vrouwen terug. In 2017 was 20,9 procent van de hoogleraren vrouw. Het percentage vrouwelijke promovendi uit dat jaar is twee keer zo hoog: 42,7 procent. De monitor deelt de hogere percentages vrouwen in de lagere functie door de lagere percentages vrouwen in de hoge functies en noemt een uitkomst boven de 1 een glazen plafond.

En, klopt het?

Wat ontbreekt in de cijfers van de Monitor en de redenering van Van Furth is de factor tijd. Het duurt gemiddeld jaren voor iemand een carrièrestap kan maken. Volgens een onderzoek van het Rathenau Instituut in alle niet-medische faculteiten duurt het gemiddeld negentien jaar voor een gepromoveerde hoogleraar wordt – dat geldt voor mannen en vrouwen. Rathenau analyseerde de verzamelde geanonimiseerde data van persoonlijke loopbanen van wetenschappers.

De 21 procent vrouwelijke hoogleraren weerspiegelt volgens Rathenau precies het percentage vrouwelijke PhD’s van 19 jaar geleden en dat was laag omdat vrouwen pas laat massaal aan de universiteit gingen promoveren. Ook omdat vrouwelijke hoogleraren eerder vertrekken, duurt het volgens Rathenau met het huidige tempo tientallen jaren voor er evenveel vrouwelijke als mannelijke hoogleraren zijn. Te veel tijd, volgens minister Ingrid van Engelshoven (OCW, D66). Ze zei vorige maand tegen NRCdat vrouwelijke hoogleraren eerder dan 19 jaar na hun promotie moeten worden benoemd, zodat er snel meer genderdiversiteit ontstaat aan de universiteit.

Lees ook: Vrouwelijke wetenschapper maakt minder kans op subsidie

Die inhaalslag voltrekt zich nu. Volgens de meting van het Rathenau werden er in 2015 al evenveel vrouwelijke als mannelijke universitair docenten benoemd uit een kweekvijver van zeker 60 procent mannelijke promovendi. Ook volgens de Monitor neemt het aantal vrouwen sneller toe dan het aantal mannen. In 2017 groeide het aantal universitair docenten met 150 vrouwen en 65 mannen, het aantal universitair hoofddocenten met 52 vrouwen en 31 mannen. en het totale aantal hoogleraren nam toe met 11 mannen en 58 vrouwen, dankzij extra subsidie. Volgens de Monitor „een snellere stijging dan ooit”. De Monitor presenteert ook toekomstscenario’s waarin vrouwen meer kans maken dan mannen. Dat terwijl het percentage vrouwelijke promovendi weer afneemt, van 45 naar 43 procent sinds 2011.

Conclusie

Mannen vallen net zo goed af als vrouwen bij elke volgende carrièrestap in de wetenschap. Vrouwen doen er ook gemiddeld even lang over om hoogleraar te worden als mannen. Het geringe aantal vrouwelijke hoogleraren reflecteert het lage aantal vrouwelijke PhD’s van negentien jaar geleden. Er is nu sprake van een inhaalmanoeuvre. Bij benoemingen tot universitair docent zijn vrouwen volgens cijfers van het Rathenau Instituut in het voordeel. Dus mannen krijgen het bij elke volgende stap op de wetenschappelijke ladder niet gemakkelijker, vergeleken met vrouwen. De Monitor heeft dat ook niet berekend. De stelling wordt beoordeeld als onwaar.