Recensie

Recensie Muziek

Nederlandse Bachvereniging in ketens van soberheid

Klassiek De sobere Johannes-Passion van Schütz werpt bij de Nederlandse Bachvereniging een kille schaduw over de gloed van Bach en Mendelssohn.

Dirigent Christoph Prégardien.
Dirigent Christoph Prégardien. Foto Marco Borggreve

‘Raas maar, wereld, spring maar op, ik sta hier en zing, in alle rust.” Het koor van de Nederlandse Bachvereniging stond en zong getuigenissen van een diep geloof en vertrouwen in God, waaronder deze woorden uit Bachs ‘Jesu meine Freude’. In het hart van het concert verspreidde zich de donkere glans van de Johannes-Passion van Heinrich Schütz, gecomponeerd rond zijn tachtigste, twee decennia voor Bachs geboorte.

Schütz liet zich inspireren door de lange en weelderige lijnen van Italiaanse leermeesters als Gabrieli en Monteverdi, maar de passies blinken uit in kale eenvoud. De stokoude componist leefde in armoede en te midden van de naschokken van de Dertigjarige Oorlog. De gruwelijkheid ervan wierp de mensen – en zelfs de vorsten onder hen – terug op zichzelf.

In de Johannes-Passion van Schütz staat het koor alleen tegenover God, met geen ander instrument dan de stem. Het werk, solisten en koor ademden de geest van Luther: we ervaren niet het drama van de lijdende Christus, maar worden met de neus op de betekenis van het noodzakelijke offer gedrukt. Een moedige keuze van dirigent en evangelist Prégardien, want die benadering is lichtjaren verwijderd van het moderne gevoelsleven.

Met Schütz’ passie zette de Bachvereniging wat stappen terug, want hier klinkt meer theologie dan theater: lappen spraakzang met korte oprispingen van het koor. Een wereld van verschil met de theatrale piëtisten, die later de muzikale overhand kregen – onder meer door Bach. Zij vonden dat God woonde in het hart, niet in de regels: religie moest beleefd en geleefd worden.

De schaduw van Schütz hing over de rest van het programma. De Nederlandse Bachvereniging wist zich niet van die ketens van soberheid te ontdoen voor de gloedvollere koren van Bach en Mendelssohn. Het klonk mooi, en toch miste er iets. De zangers geloofden in de noten, dat was het niet, maar geloofden ze ook in de woorden?