Opinie

Als de Russen komen

Lotfi el Hamidi

Tijdens een debat over Europa enkele jaren terug zou historicus Philipp Blom een anekdote hebben gedeeld over een bezoek aan een Duitse middelbare school. Hij vroeg: „Wie meldt zich aan als vrijwilliger als Merkel zegt: we gaan naar Oekraïne?” Leerlingen keken hem stoïcijns aan, maar drie jongens met een Turkse achtergrond waren bereid naar het front te gaan.

In Oekraïne sterven voor de Europese zaak is wellicht te abstract, maar niet zo lang geleden was het idee van een Russische inval in West-Europa niet onvoorstelbaar. De historische expositie Als de Russen komen in het Nationaal Militair Museum in Soest laat met authentieke stukken en verhalen zien hoe warm de Koude Oorlog aanvoelde – ook in Nederland. Een gedetailleerde Poolse stafkaart uit 1970 , waarop de inval van West-Europa werd uitgetekend, toont aan dat het menens was.

De tentoonstelling werd vrijdag officieel geopend door minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA). In haar toespraak wees ze op het huidige Russische gevaar, dat zich als een „matroesjkapop” manifesteert. Want de dreiging uit het Oosten is vandaag weliswaar „diffuser dan in de Koude Oorlog, maar daarom niet minder serieus”, aldus Bijleveld. Cyberaanvallen, militaire pesterijen ter zee en in de lucht, ‘groene mannetjes’; de oorlog is asymmetrisch geworden.

Onder toeziend oog van ambassadeurs van enkele NAVO-lidstaten brak Bijleveld een lans voor ‘onze jongens’; goed geoefende en hoogopgeleide militairen, waar collega’s van buitenlandse korpsen ontzag voor hebben.

Maar als de Russen komen vrees ik dat er meer nodig is. Zoiets als het onsterfelijke patriottisme van de VS, het vurige nationalisme onder Turken, het militarisme in Israël (het leger deelde onlangs op Valentijnsdag een filmpje waarin soldaten hun liefde verklaren aan hun geweer, gevechtshond of pantservoertuig, beelden waar de moordmachines in Stanley Kubricks Full Metal Jacket nog een puntje aan kunnen zuigen). Maar een kritiekloze adoratie van volk en vaderland is niet aan Nederlanders besteed, al is de vraag of dat erg is. Historicus Johan Huizinga noemde „de relatief geringe neiging tot nationale zelfverheerlijking en zelfverheffing” zelfs „een volksdeugd van het zuiverste kaliber”.

Hoe gedisciplineerd wij ons hier ook zouden voorbereiden, Poetin zal er allerminst van onder de indruk zijn. De strijd moet dan ook niet militair gevoerd worden; de Koude Oorlog werd immers uiteindelijk ook niet met militaire middelen beslecht. De Amerikaanse historica Anne Applebaum gaf een mooie voorzet in een interview afgelopen zaterdag in NRC: „Poetin is niet bang voor de Europese handelswetten of voor de tanks van de NAVO. Maar wel voor het narratief van democratie, en de aantrekkingskracht die dat heeft op Russen.”

Lotfi El Hamidi ( L.elHamidi@nrc.nl @Lotfi_Hamid ) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.