Al-Shabaab verlaat je niet zomaar

Kenia De extremistische terreurgroep Al-Shabaab komt uit Somalië, maar is ook steeds actiever in Kenia. Spijtoptanten zijn hun leven niet zeker, vertellen ze.

Vorige maand pleegde Al-Shabaab een aanslag op een hotel in Nairobi, waarbij 21 doden vielen.
Vorige maand pleegde Al-Shabaab een aanslag op een hotel in Nairobi, waarbij 21 doden vielen. Foto’s Luis Tato / Kabir Dhanji / AFP

Abdul (35 jaar) kan niet meer stilzitten. Hij was strijder in een van de wreedste terreurgroepen ter wereld. „Al-Shabaab heeft mijn leven verknald. Mijn hoofd, mijn hart, mijn kansen. Alles is kapot.”

Abdul, die uit veiligheid van naam veranderde, friemelt voortdurend aan zijn borstzak. Daar verbergt iedere strijder van de Somalische terreurgroep een granaat om zich op te blazen bij gevangenneming. „Altijd vreesde ik achter een tak te blijven steken en mezelf per ongeluk op te blazen.”

Abdul is Keniaan en werd in 2011 in de sloppenwijk Majengo van de Keniaanse hoofdstad Nairobi gerekruteerd door het Somalische Al-Shabaab om in Somalië te vechten. „Ik wilde werk en de ronselaar beloofde me een baan als chauffeur.” Honderden Kenianen trokken de afgelopen jaren naar Somalië, vanaf de Keniaanse kuststrook en vanuit de getto’s in Nairobi.

Zo’n kwart van de Keniaanse bevolking is moslim en leeft aan de kust en in de schrale laaglanden die zich uitstrekken tot aan de grens met Somalië. Al-Shabaab controleert grondgebied in Midden- en Zuid-Somalië en zette in Kenia een netwerk van cellen op. De terreurgroep ronselt in Kenia arme jongeren en biedt hun een salaris. Wanneer ze komen te overlijden krijgen hun families 500 dollar en de overledenen wachten 72 maagden in de hemel.

Lees meer over de aanslag in januari door Al-Shabaab, op een hotelcomplex in Nairobi

Ook terreuraanslagen in Kenia

Steeds vaker zet de groep de Keniaanse strijders in bij aanslagen in Kenia zelf. Vorige maand voerde Al-Shabaab een aanslag uit op het Dusit-hotelcomplex in Nairobi, waarbij 21 doden vielen. Drie van de vijf aanvallers waren Kenianen. Eerder pleegde de groep aanslagen op het luxe winkelcentrum Westgate in Nairobi in 2013 (ruim 60 doden), bij het kustplaatsje Mpeketoni in 2014 (ook meer dan 60 doden) en in 2015 op een universiteit in Garissa (148 doden).

Omar Boga is een sociaal werker die radicalisering probeert tegen te gaan in het dorp Ukunda langs de Keniaanse kust. „Daar, bij die paar hutjes aan de overkant van de weg, woonde de bedenker van de aanslag op Dusit”, wijst hij. „De werving door Al-Shabaab gaat nog steeds door. Langs de kust wonen veel moslims, maar dat is niet de reden. Jongeren gaan naar Al-Shabaab om aan armoede te ontsnappen. Dit is een van de armste districten van Kenia en Al-Shabaab lokt ze met banen.”

De Keniaanse regering verleent amnestie aan landgenoten die de Somalische terreurgroep de rug toekeren. Omar Boga schat dat de afgelopen vier jaar er tenminste driehonderd terugkeerden. Van deze uit Somalië teruggekeerde Al-Shabaab-strijders kwamen er 42 echter om door standrechtelijke executies. „Soms betrof het wraak door Al-Shabaab, maar het gros van de moorden is het werk van de Keniaanse politie”, vertelt hij. „Hoewel er een amnestie van kracht is, reageert de politie vaak op anonieme tips van burgers over teruggekeerde misdadigers. En dan gaan de agenten direct schieten. Jongeren zitten klem tussen twee vuren: de terroristen en de politie.”

Opgejaagd na desertie

Amina (30) kreeg amnestie en toch is ze ondergedoken in een dorpje langs de kust. Uit veiligheidsoverwegingen nam ze een nieuwe naam aan. In haar lemen huisje onder kokospalmen houdt ze angstvallig de wacht bij de ingang. Ze zwijgt onmiddellijk als iemand dreigt onze woorden op te vangen. „Niemand kent mijn verleden, alleen mijn echtgenoot”, vertelt ze. „Misschien vergeven mensen mijn moorden in Somalië, maar niet de misdaden die ik in Kenia beging.” Amina was voor ze naar Somalië vertrok een beruchte gangster langs de kust, een most wanted person.

Ze komt uit een gebroken gezin. Toen haar ouders scheidden, had Amina een sugar daddy (suikeroom) gezocht om haar schoolgeld te betalen. Hij trouwde haar, maar bleek een misdadiger. „Hij dwong me de onderwereld in. Ik overviel met zijn bende banken, beroofde witte toeristen, liet de politie in hinderlagen lopen en drong huizen van Arabische handelaren binnen.”

Totdat de grond te heet onder hun voeten werd en ze in 2014 met haar man naar Somalië vluchtte. „De ronselaar voor Al-Shabaab noemde Somalië een vrij land zonder politie. Ik dacht: dat is een mooi land, daar kan ik eindelijk zonder gevaar van mijn man houden en in een mooi huis wonen.”

Amina moest in een vrouwenkamp van de terreurgroep christelijke Kenianen tot de islam bekeren. „Soms arriveerden er jonge meisjes aan wie door de ronselaars een baan als sekswerker was beloofd. Ik zorgde dan voor hun bekering tot de islam.”

Ze knipt met haar vingers, het geluid van een zweep. En als die methode niet werkte? Ze strijkt haar vinger langs haar keel. Dood door onthoofding. „Het was zij of ik.”

Vier jaar verbleef Amina bij Al-Shabaab. Tot op een dag haar echtgenoot niet terugkeerde van het front. „Toen begonnen strijders mij te dwingen met hen te slapen. Tijdens een aanval op ons kamp in Somalië door het Keniaanse leger nam ik daarom de benen en gaf me over aan de Kenianen.”

Amina denkt nog wel eens aan de spaarzame goede tijden bij Al-Shabaab. „De kameraadschap na een militaire zege, het delen van je geloof, de vrijheid, ja soms waren er momenten van geluk”, zegt ze.

Het personeel en bezoekers van het in januari door Al-Shahaab aangevallen hotelcomplex, op de vlucht uit het gebouw. Foto Kabir Dhanji/AFP

Onderaan in de pikorde

Al-Shabaab is zo bruut dat wijlen Osama bin Laden, leider van de bondgenoot Al-Qaeda, in 2010 een oproep deed aan de groep om „met meer medeleven tegen de bevolking op te treden”. „Iedere man kreeg een vrouw toebedeeld”, vertelt Abdul. „Als ik naar het slagveld vertrok, zei mijn vrouw me vaarwel met de opmerking: ‘ik hoop dat je nooit meer terugkomt’. Ze hoopte dat ik zou sterven voor de jihad.”

Binnen de groep is niet iedereen gelijk. „Ze noemden ons zwarte Kenianen adhon, een christen, een slaaf”, zegt Abdul. „In de pikorde staan de Somaliërs bovenaan, dan de Arabieren en helemaal onderaan de ladder wij.”

Verkrachting, steniging en onthoofding waren heel gewoon. Niet iedere strijder mocht onthoofden. „Alleen de emir had daartoe het recht, als hij over een speciaal scherp zwaard beschikte. Wij moesten dan voetballen met het hoofd. Om van onze angst af te komen.”

Abdul gaf zich in 2016 over aan het Keniaanse interventieleger in Somalië. Nog steeds wordt hij geplaagd door de schrikbeelden. „Radicalisering betekent onderdrukking van je menselijke gevoelens. Iedere dag weer zie ik die rollende hoofden. Om weer menselijk te worden, om te kunnen deradicaliseren, heb je heel veel kracht nodig.”

Schichtig kijkt hij om zich heen. De aders kloppen bij zijn slapen, hij omvat zijn hoofd met beide handen alsof hij wil voorkomen dat het ontploft. De angst stopt nooit meer.

Op een middag zat Abdul in een kapperszaak in een sloppenwijk van Nairobi toen een jongen binnenkwam, die hem in de nek schoot. „Het witte laken kleurde plots rood”.

Het bleek echter een schampschot en Abdul overleefde de wraakoefening door de terreurgroep. Maar in de avond werd zijn vermeende dood, „de dood van een deserteur”, evengoed gevierd in dezelfde buurtmoskee die hem enkele jaren eerder had geronseld voor de terreurgroep.