Opinie

    • Marike Stellinga

De energierekening als open wond

Hoe vaak heeft een felle politieke discussie zo’n zichtbaar prijskaartje gehad als de energierekening in de discussie over het klimaatbeleid? In de honderden miljarden euro’s aan belastingen die de overheid heft, kan je de prijs van politieke keuzes vaak een beetje verstoppen. Je houdt het als burger simpelweg niet bij, temidden van al die belastingen.

Maar de energierekening is het bonnetje van het klimaatbeleid dat elke maand weer in de mailbox zit. En dat bonnetje stijgt de komende jaren, mede dankzij hogere belastingen: er is de energiebelasting, de btw én de Opslag Duurzame Energie. Samen vormen ze bijna de helft van de rekening. Dit jaar betaalt een gemiddeld huishouden 162 euro meer belasting, berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Vooral die Opslag Duurzame Energie is interessant. De belasting bestaat pas sinds 2013, en het is de bedoeling dat ze de komende jaren stijgt. De opbrengst gebruikt het kabinet om duurzame energie te stimuleren, zoals windparken. Als je daar fel tegen bent, dan staart die belasting je steeds gemener aan.

Het kabinet onderschatte volledig dat op de markt de prijzen voor energie (gas en elektriciteit) óók nog fors kunnen stijgen. Dat was bangmakerij, volgens staatssecretaris Mona Keijzer (CDA) eind december. Het bleek toch waar: bij de 162 euro aan belastingen komt nog eens 172 euro aan prijsstijgingen, aldus het CBS.

Je zou het misschien niet zeggen na de ophef van afgelopen week, maar dat de energierekening stijgt, is de bedoeling. Geheel volgens de economische logica verschoof het kabinet Rutte III de belastingdruk van lonen naar consumptie en vervuiling. Belast wat je wil stimuleren (werken) minder en wat je wil remmen (vervuiling) meer.

Premier Rutte benadrukte het vrijdag opnieuw: ja, de energiebelasting stijgt, maar de loonbelasting daalt en per saldo blijft er volgens de ramingen meer koopkracht over. Maar wat logisch is volgens economen is politiek gezien vaak verre van pijnloos. De energierekening brandt in het oog, en het moet nog maar blijken of de loonbelasting daar gevoelsmatig tegenop kan boksen. Daar komt nog eens bij dat de beloofde koopkracht leunt op een stijging van de lonen die erg onzeker is.

In de discussie over wie de kosten betaalt van het klimaatbeleid – burgers of bedrijven – hoor je vaak verzuchten dat het een non-discussie is. Uiteindelijk betalen burgers de rekening tóch, is de redenering, want bedrijven rekenen hun kosten door in de prijzen. De stijging van de energieprijs was daar deze week een voorbeeld van: een deel kwam door de hogere prijs voor CO2 die bedrijven betalen op de Europese ETS-markt. Je kan dus een nummer maken van een CO2-heffing, maar weet wel wie de rekening betaalt: wij.

Dat mag deels zo zijn (bedrijven kunnen ook minder winstgevend worden), maar een eerlijke verdeling van de lasten tussen burgers en bedrijven is niet dé reden om te pleiten voor een CO2-heffing. Je wil er innovatie mee uitlokken. Juist omdat we niet weten hoe die uitstootvrije economie eruit kan zien, wil je bedrijven die schoon produceren (en daar slimme uitvindingen voor doen) een voordeel geven op bedrijven die vies produceren. Dat kan ook met subsidie, maar dan moet de overheid kiezen: welke technologie is kansrijk? Een heffing is het ultieme vrijemarktinstrument: laat de groene slimmerds winnen.

Wat er ook uit deze discussie en uit het klimaatakkoord komt, deze week laat opnieuw zien: de energierekening is een nieuw politiek brandpunt.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.