Ze was totáál niet getraumatiseerd

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Lerares Félice Leendertz-Polak (1933-2019) sprak pas na haar pensioen over de oorlog.

Félice Leendertz-Polak boven in 2016; links in 1942, ‘het meisje met het witte jurkje’. De foto is nog tot oktober te zien op een fototentoonstelling in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam.
Félice Leendertz-Polak boven in 2016; links in 1942, ‘het meisje met het witte jurkje’. De foto is nog tot oktober te zien op een fototentoonstelling in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam. Foto Etty Hillesum Stichting, Deventer

„Ze zag me toevallig in een winkel en kwam opgewonden op me af”, vertelt Anneke Pannekoek, met wie Félice Leendertz-Polak al sinds haar middelbare schooltijd in Deventer bevriend was. Als volwassenen vonden ze elkaar terug in de Wageningse gemeenteraad, waar Leendertz-Polak vier termijnen diende namens de VVD.

„Ze vertelde dat er een foto uit de oorlog was gevonden van een groep joodse kinderen waar zij ook op stond, in een wit jurkje. Ze herinnerde zich het moment nog, dat haar moeder had gezegd: ‘Er is een feestje om de hoek, ga leuk meespelen.’ Alle kinderen droegen braaf hun ster. Een paar maanden later begon de onderduik. Nu bleek dat Félice als enige op de foto de oorlog overleefd had. Ik kende haar als een beheerst, daadkrachtig mens, maar we zijn samen in tranen uitgebarsten.”

Zo werd Félice Leendertz-Polak in 1998 alsnog publiekelijk geassocieerd met het onderwerp dat ze tot dan toe met kalme vastberadenheid uit haar leven had gebannen: de holocaust. Ze werd ‘het meisje met het witte jurkje’, en begon het verhaal van haar onderduikjaren te vertellen. Eerst aan haar kleinkinderen, toen ook aan hun klasgenoten, en vanaf 2013 als gastspreker van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, waarvoor ze in totaal 75 klassen en groepen door het land toesprak. Ze genoot van die optredens, vertelt haar man Paul Leendertz. „Nog tot het laatst kwamen er verzoeken van scholen waar ze grote indruk op de leerlingen had gemaakt. Ze was een geboren onderwijzeres.”

‘Kindjeshaven’

„Toen de bezetting begon waren mijn ouders aanvankelijk naïef: de Duitsers waren een beschaafd volk, ze zouden ons toch niet zomaar vermoorden”, vertelt Herman Polak, haar drie jaar jongere broer. „Goddank overtuigde Tine Boeke, een kennis van mijn ouders wier man in het verzet zat, mijn vader ervan dat we moesten onderduiken.”

Herman en Félice kwamen terecht in de Utrechtse crêche van verzetsvrouw Trui van Lier, die zowel buitenechtelijke kinderen van Duitse soldaten als Joodse kinderen onderdak bood. Aan het meehelpen met het zorgen voor de baby’s in ‘Kindjeshaven’ hield Félice een levenslange hekel aan vieze luiers over. „Het stonk er enorm”, herinnert Herman zich.

Na een paar maanden moesten ze er weg, en brak een voor zus en broer totaal verschillende tijd aan. Félice werd warm onthaald bij de familie Brandt in Enschede en draaide als ‘Liesje Biessels uit Den Haag’ mee in het gezin. Na enige tijd thuisonderwijs lieten haar ‘duikouders’ haar zelfs gewoon naar school gaan; de lessen vonden tijdelijk plaats in een leegstaande synagoge, waar Félice de Hebreeuwse letters op de ramen herkende. Ze zweeg erover tegen de andere kinderen.

Gewóón zijn

Tijdens de bombardementen van 1943 raakte het huis van het gezin zwaar beschadigd en verhuisde ‘Liesje’ mee naar een nieuw onderkomen. Een paar weken na de bevrijding werd ze herenigd met haar moeder. Beide ouders waren de oorlog op verschillende onderduikadressen doorgekomen, en ook Herman was er nog: die had bij in totaal zeventien families in en rond Amsterdam gezeten.

Félice Leendertz in 2016

Het gezin keerde terug naar het oude huis in Deventer, dat tussentijds was uitgewoond door NSB’ers, maar het lukte hen niet meer om een eenheid te vormen. ‘Los zand’, zou Félice hen later noemen. Herman: „We waren allemaal getekend door de oorlog – mijn moeder had haar hele familie verloren – maar die tijd werd doodgezwegen. Félice en ik wilden van ons joods-zijn ook helemaal niets weten. We wilden gewóón zijn, net als andere kinderen.”

In 1953 ging Félice biologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Medestudent Paul viel haar op omdat hij tijdens een excursie als enige jongen meehielp met de afwas.

In 1964 werd zoon Joost geboren, gevolgd door Hester (1965) en Ritse (1967). Félice was Paul inmiddels in het onderwijs gevolgd, een vak waar ze ondanks aanvankelijke weerzin aan gehecht raakte. Samen met Paul werd ze lid van de VVD én van het feministische Man Vrouw Maatschappij. „Mijn moeder was de spil van ons gezin”, zegt zoon Joost. „Ze was serieus, stabiel. Ik heb haar zelden hevig geëmotioneerd gezien.”

Met Pasen werden speciale matzes besteld, maar verder herinnerde niets aan Félice’s joodse achtergrond. Ze was „totáál niet getraumatiseerd”, zegt Paul. „Ze vond dat ze mazzel had gehad.”

Félice overleed op 16 januari aan de gevolgen van leverkanker.

    • Sandra Heerma van Voss