Recensie

Recensie Boeken

Voor registratie als Jood betaalde je een gulden

Pauline Broekema Op basis van eigen naspeuringen en de verhalen van Sara Nieweg schreef voormalig NOS-verslaggever Broekema een roman over de Joodse bevolking van Groningen en Friesland.

Ongeveer 73 procent van de Nederlandse Joden overleefde de Tweede Wereldoorlog niet. Dat is al enorm veel, maar in de noordelijke provincies lagen de cijfers nog ongunstiger: zo’n 90 procent van de Joodse mannen, vrouwen en kinderen uit Friesland en Groningen kwam tijdens de oorlog om.

Pauline Broekema vereeuwigde in haar nieuwe roman Het uiterste der zee een deel van die wrange geschiedenis. Zij deed dat op basis van eigen naspeuringen en de foto’s, documenten en verhalen van Sara Nieweg, een Joodse vrouw die in 1941 werd geboren. Haar familie werd grotendeels weggevaagd. De vader van Sara, Meijer, meldde zich, na een oproep, in juli 1942 op het station van Appingedam. Later dat jaar werd hij vermoord in Auschwitz. Moeder Mies en de kleine Sara zaten ondergedoken bij verschillende Friese gezinnen en werden in 1945 herenigd.

Broekema (1954) richt zich vooral op de lotgevallen van de zachtaardige Mies, die voor de oorlog onderwijzeres was. In een paar inleidende hoofdstukken maken we kennis met haar familie en schoonfamilie, die in de stoffen- en de veehandel zaten, en wier zaken tot het begin van de oorlog goed liepen. Mensen van onbesproken gedrag, zo wordt wel duidelijk, die veel aanzien genoten in hun omgeving.

In brede, kabbelende zinnen vertelt Broekema over het textielwezen en de kneepjes van het onderhandelen met boeren over de prijs van een koe. Ze doet dat met veel inleving en oog voor de couleur locale. Er zijn mooie passages over Delfzijl, ooit een levendige havenstad. En over de omgeving: ‘Sloten, stroompjes en het bredere Damsterdiep doorsneden een streek van wuivend graan en grazend vee.’

Wie Broekema kent als NOS-verslaggever, kent ook haar enigszins zalvende toon en stem. Iets van die zalf valt nog wel te bespeuren. Maar het boek wordt, hoe cru dat ook klinkt, ruimschoots gered door de oorlog, die zijn schaduwen vooruit werpt en zorgt voor veel dreiging en spanning. Geleidelijk worden de formuleringen minder omfloerst en de zinnen directer. ‘Voor de verplichte registratie als Jood’, noteert Broekema, moest ‘per aanmelding een gulden aan leges’ worden betaald, ‘vooruit te voldoen’.

Er ontstaat een scherpe kloof tussen de goede oude tijd met voorspoedige handel, wuivend graan en grazend vee en de razzia’s, de deportaties en de algehele ontreddering die volgen op de bezetting. Families worden uiteengerukt, dorpsverbanden raken verstoord, het eten gaat op de bon, huizen en spullen worden gevorderd en tijdens de bevrijdingsgevechten in de stad Groningen wordt veel schade aangericht.

In Het uiterste der zee gaat de meeste aandacht, net als in haar eerdere boeken, naar individuele mensen en hun lotgevallen. Dat zijn niet alleen de lotgevallen van Mies en Sara, maar ook die van oogarts Bos, wijkverpleegster Betty, de onverstoorbare onderduikcoördinator Overdiep en de families Attema en Van der Spoel die zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor anderen. Het was mede aan hen te danken dat toch nog zo’n tien procent van de Joodse mannen, vrouwen en kinderen in Groningen en Friesland hun verhaal konden navertellen.