Opinie

Verwelkom lawaai in Europees Parlement

Luuk van Middelaar

Een verhelderende escalatie in de Europese kiescampagne, vroeg in de wedstrijd. De Hongaarse regering lanceerde een postercampagne met foto’s van miljardair George Soros én Brussels boegbeeld Jean-Claude Juncker, plus de claim dat EU-migratieplannen „de Hongaarse veiligheid bedreigen”. Aan laster tegen de Amerikaans-Hongaarse filantroop doet Viktor Orbán al langer, maar dat hij Commissievoorzitter Juncker erbij sleept, is pikant. Dat is een partijgenoot. Aanval op de eigen christelijke, conservatieve familie! Je zou denken, nu moet de Europese Volkspartij van Buma’s CDA en Merkels CDU eindelijk het Hongaarse Fidesz uit de club zetten. Tot nu toe steunde de leiding hem, hoewel Orbán in eigen land sinds 2010 trots democratische vrijheden lamlegt en rechtsstatelijke beginselen schendt. Dialoog openhouden, bleef het parool – ook van EVP-lijsttrekker en kandidaat-Commissievoorzitter Manfred Weber (CSU), zelfverklaard verbindingsman tussen West- en Oost-Europa.

Na Orbáns aanval sloeg Juncker deze week terug: „Tegen leugens kun je weinig doen.” Zijn plaats is niet bij ons, zei hij, maar ook: „Mijn vriend Manfred Weber zal zich afvragen of hij deze stemmen wel nodig heeft.” Een even goedbedoeld als onthullend advies. Eerst de meerderheid, dan de moraal.

Met zijn provocatie brengt Orbán het debat waar hij en zijn Italiaanse bondgenoot Matteo Salvini het willen hebben: een strijd tussen kosmopolitische elites en vertegenwoordigers van het volk. Helaas trapt het andere kamp er met open ogen in. De Franse president Macron, nagenietend van zijn nationale duel met Marine Le Pen, treedt het liefst ook op de Europese bühne aan als witte ridder tegen het duistere nationalisme (al heeft hij het nu druk met de gele hesjes). Zie ook de welwillende paniekverhalen over het nakende eind van de Europese beschaving. In het pamflet ‘Huize Europa staat in brand’ schreven Bernard-Henri Lévy en dertig literaire grootheden hoe we afstevenen op „de rampzaligste verkiezingen” ooit en hoe „Europa als idee, als ideaal” in duigen valt door „profeten vol rancune”. In The Guardian deed George Soros himself er vorige week in pathos niet voor onder: wanneer slaapwandelende pro-Europese kiezers niet snel ontwaken, wacht de EU na de stembusgang het lot van de Sovjet-Unie in 1991: implosie en vergetelheid.

Zeker, de EU staat intern en extern onder druk, maar zulke karikaturale retoriek versterkt de krachten die men wil bestrijden. Als je moet dreigen met „de erfenis van Erasmus, Dante, Goethe en Comenius” (Lévy c.s.), lopen mensen nog harder de andere kant op. Wat ontbreekt is gevoel voor verhoudingen en voor democratie. Neem de peilingen voor die Europese verkiezingen. Niks nationalistische machtsgreep. Grootste blijft de conservatieve EVP (met 176 op 705 zetels, voorlopig inclusief 13 voor Fidesz), daarna volgen sociaal-democraten (136) en liberalen (98) – de oude garde. Met de Groenen (43) erbij houden pro-Europese krachten ruim de meerderheid. De anti-EU-partijen behalen een kwart tot een derde van de zetels; een flinke stijging maar geen overmacht.

Wezenlijker: is de Europese democratie wel gediend met een Parlement dat en bloc voor ‘meer Europa’ applaudisseert? De zwakte van het EP is zijn afstand tot de kiezer en de afwezigheid van inhoudelijke oppositie. Daarentegen kan een lastig en lawaaiig Parlement het politieke humeur en de strijdige passies van de bevolking veel beter weerspiegelen; ook in onze nationale democratieën knalt het – tussen gelduitgevers en bezuinigers, hekkenbouwers en open-armen, Rusland-bashers en Poetin-verstehers.

Pas dankzij hard debat kan het Parlement uitgroeien tot zichtbaar strijdtoneel en zo dus – het is misschien contra-intuïtief – méér publiek gezag verwerven, als Europese arena.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden).