Recensie

Verdwenen in het bos, voorgoed offline

De ‘aanklikker’ is een personage in de nieuwe roman van Marie Darrieussecq. Eigenlijk is het een beroep, iemand die ‘robots al onze gedachteassociaties moet bijbrengen, zodat ze ooit onze plaats kunnen innemen’. De aanklikker moet begrippen als ‘verschrikkelijk’ of ‘weerzinwekkend’ linken aan beelden van lichamen die bij een aanslag aan stukken gereten zijn. Zo wordt robots ook wat empathie bijgebracht. De aanklikker klikt bijvoorbeeld: ‘blauw = hemel = blues = melancholie = muziek = blauwe plek = blauw bloed = adel = onthoofding’.

Hoewel de aanklikker de hele dag werkt en ’s nachts maar een paar uur mag slapen, kan hij er niet van leven: Indiërs, Nigerianen, Filippino’s, Peruanen doen hetzelfde werk voor de helft van het geld. Het lukt hem niet ander werk te vinden. Wat had hij graag iets met kunst gedaan, Beethoven linken aan ‘mooi’ of ‘muzikaal’. Maar nee. En dus belandt de aanklikker bij de psycholoog, die bij hem de diagnose stelt: depressief, suïcidaal.

In het nieuwe boek van Marie Darrieussecq (1969) zitten we in het hoofd van die psychologe, gespecialiseerd in traumaverwerking. De psychologe werd wees op haar zestiende, ze kreeg toen een genetisch gemodificeerde hond, met een chip ‘om hem geschikt te maken voor het leven in een (raamloos) appartement’. Ze denkt na over haar leven, over de tijd waarin zij leeft, een tijd van ‘ontvoeringsgolven’, ‘orkanen van verdwijningen’ en ‘stormen van aanslagen’. Een tijd waarin alles overal wordt gefilmd, opgenomen, geregistreerd en gecontroleerd.

Inmiddels heeft de psychologe zich aangesloten bij een groep vluchtelingen die zich in de bossen verbergt. Om onzichtbaar te zijn voor drones wonen ze in zelfgegraven tunnels. Ze hebben de chips uit hun lichaam gesneden en de geïmplanteerde, sturende kastjes in hun hoofd onschadelijk gemaakt. Verdwenen zijn ze, definitief offline.

Getuigen wil de psychologe, begrijpen ook. In de wereld waaruit ze is gevlucht had bijna iedereen een ‘helft’ tot zijn beschikking, een lichaam met hetzelfde genetische materiaal, een ‘duurzaam lichaam met compatibele transplantaten’, een voorraadje losse onderdelen. Die ‘helft’, geestelijk twaalf jaar oud, heeft de psychologe meegenomen het bos in, net als vele anderen.

Zo neemt Darrieussecq ons mee naar een voor haar personages lang geleden tijd, terwijl dat tijdperk voor ons nog in de toekomst ligt. Alle transplantaties ten spijt lijdt de vertelster aan chronische pijnen. Langzaam dringt het duivelse complot dat daarachter ligt tot haar door. De gedachte aan ‘wat ze met hen hebben gedaan’ is onverdraaglijk.

Deze dystopische roman gaat in zekere zin verder waar Darrieussecqs debuutroman Zeugzoenen (1996). Nergens heeft ze concessies gedaan aan haar verbeelding, de ene verontrustende absurditeit stapelt zich op de andere. Haar taalgebruik is gehaast, in volle vaart verwoordt ze de innerlijke monoloog van haar vertelster.

Met een flinke dosis ironie neemt Darrieussecq ons tijdperk op de korrel, ze pepert ons in dat we naïef zijn, dat de nieuwe technologie zal ontsporen en dat de mens achter de robot uiteindelijk de mens zelf zal vernietigen. Zoiets: technologie = robot = permanente controle = totalitaire staat = einde van de mens.