„Een oud-student van me zei een keer: ik sta altijd achter de feministen. Dat heb ik niet zo.”

Foto Roger Cremers

‘Mijn leidende principe is dat je altijd kritisch moet zijn. Al-tijd’

Interview | Els Kloek, historica Els Kloek maakte twee boeken over vrouwen in de geschiedenis, maar vindt het eigenlijk niet goed om vrouwen zo apart te zetten. Ze houdt niet van activistische wetenschap, ook niet als het over diversiteit gaat.

‘Ik wil dus eigenlijk van die vrouwen af.” Typisch Els Kloek: vrouwenhistorica, samensteller van de vrouwencanon, en tegelijk tégen die status aparte voor vrouwen. Maar ja, het is kennelijk haar lot. Laatst was ze met haar man Frits bij een tentoonstelling over de schilder Alberto Giacometti, en daar zag ze een zwart-witfoto uit de jaren twintig van een klas met Franse kunstacademiestudenten. Allemaal jonge vrouwen en een enkele man. „Dat zie ik dan meteen. Dan zeg ik tegen Frits: wat is er van die vrouwen geworden?”

Afgelopen najaar publiceerde ze 1001 vrouwen in de 20ste eeuw, het vervolg op het goed verkochte 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. In beide dikke naslagwerken staan vrouwen die door prestaties of reputatie interessant zijn.

„Het is de paradox van mijn loopbaan dat ik die vrouwen apart heb gezet”, vertelt Kloek. „Ik vond altijd dat vrouwen geïntegreerd moesten worden in de geschiedenis.” Maar daarvoor was eerst nodig dat er óóg voor ze was. Daaraan heeft Kloek haar hele loopbaan gewerkt: eerst aan de Universiteit Utrecht, daarna bij het onderzoeksinstituut Huygens ING en sinds 2014 als freelancer.

Ze vertelt erover aan tafel in haar Amsterdamse bovenwoning. Voor haar liggen gekleurde Moleskine-boekjes waarin ze vast wat leuke citaten heeft geschreven, maar die blijven nog even dicht.

Hoewel Els Kloek naar eigen zeggen last heeft van „aangeboren feminisme” was er ook een tijd dat ze zich koppig geen feminist wilde noemen. En toen haar mannelijke collega’s bij de vakgroep geschiedenis vonden dat ze maar naar vrouwenstudies moest omdat ze toch met „vrouwendingetjes” bezig was, heeft ze zich daar fel tegen verzet – met succes.

Een beetje recalcitrant, inderdaad. Dat had ze al in haar studententijd. „Ik was heel links, maar ook heel erg vrijgevochten. Mijn vrienden waren communist of trotskist, maar dat wou ik allemaal niet. Ik had ook wel een hippieachtergrond, ik vond het allemaal veel te georganiseerd. Maar van anarchisme moest ik ook niks hebben.”

Eind jaren zeventig was er een vacature voor een student-assistent die de mogelijkheden van vrouwengeschiedenis moest verkennen, het was nog onontgonnen terrein. Els Kloek, die zich inmiddels in vrouwenstudies had „vastgebeten”, kreeg de baan – waarna ze achter een kaartenbak werd geparkeerd. „Ik moest zelf bedenken wat ik ervan zou maken. Er is nog een foto van me in dat kamertje, de eenzaamheid druipt ervan af.”

Veertig jaar later is vrouwenstudies een apart vakgebied (al heet het tegenwoordig genderstudies), maar Kloek bleef een flankspeler. Wel publieke bekendheid gekregen, geen hoogleraar geworden. „Je moet in de academische wereld ontzettend veel geduld hebben en uit zijn op macht en aanzien. Ik kon dat spel niet zo goed spelen.”

Ook werd de vrouwengeschiedenis steeds theoretischer. „Ik vond dat sekse net als klasse een instrument moest zijn voor historisch onderzoek, maar gender werd een enorm filosofisch begrip. In het postmodernisme kwam het deconstructiedenken op: er werden vragen gesteld over beeldvormingsprocessen, hoe die gegenderd zijn en hoe je die kunt deconstrueren. Ik snapte die dingen nooit, theoretiseren is niet mijn sterkste kant. Maar tegelijk had ik ook behoorlijke last van irritatie. Ik dacht: ja, maar kom op, laten we nou aan het wérk gaan!”

Zwarte actiegroep

In 2005 verliet Kloek de universiteit. De wetenschap richt zich steeds meer op de internationale vakgenoten, zegt ze, en minder op het brede publiek. „En dat terwijl we met publiek geld worden betaald.”

Jammer, vindt Kloek, want zij maakt de geschiedenis juist graag toegankelijk.

Ook activistische wetenschappers roepen ergernis bij haar op, al sinds een zwarte actiegroep het congres verstoorde dat Kloek in 1986 met andere vrouwenhistorici organiseerde. „Die vonden het allemaal te wit.” De activisten kwamen binnenvallen bij de sessies, vertelt ze. „Ik stond een lezing te houden over vrouwenarbeid in de Middeleeuwen en toen moest ik van hen iets over zwarte vrouwen vertellen. Ik dacht: ja zeg, ik heb mijn eigen vraagstelling.” Anderen waren ontvankelijker: „Er was een Engelse vrouwenhistorica die een lezing had voorbereid over vrouwen in Duitse steden in de 16de eeuw, die heeft in de pauze snel wat informatie over joodse vrouwen in haar lezing gestopt zodat ze nog een beetje divers was.”

De actie was voor veel collega’s een openbaring, vertelt Kloek. „Die voelden zich allemaal schuldig. Bij de eerste landelijke bijeenkomst van vrouwenhistorici, vlak na het congres, viel ik van m’n stoel van de publieke schuldbekentenissen: ze waren zich nooit zo bewust geweest van hun eigen racisme, zeiden ze. Maar zelf vond ik helemaal niet dat ik verkeerd bezig was. Je kunt het toch wel over vrouwenrechten hebben zonder dat het meteen over racisme en slavernij gaat?”

Met zo’n houding maak je je niet bij alle feministen populair, maar daar is ze ook niet op uit. „Een oud-student van me zei een keer: ik sta altijd achter de feministen. Dat heb ik niet zo. Mijn leidende principe is dat je altijd kritisch moet zijn. Al-tijd kritisch. Het principe van diversiteit biedt heel veel houvast, maar het kan ook het kritisch denkvermogen aantasten, en daar word ik zenuwachtig van.”

Een voorbeeldje: het boek over 1001 vrouwen in de twintigste eeuw. „Er waren mensen die zeiden: er zitten geen Turkse en Marokkaanse vrouwen in. Dat vind ik ook heel jammer, maar het is gewoon niet gelukt. Dat komt door het criterium dat de vrouwen in het boek dood moeten zijn. Dan zeiden mensen: dan had je dat criterium moeten loslaten, maar dat ging me te ver.”

Kloek ziet graag meer aandacht voor vrouwen in de geschiedenis, maar niet als dat de waarheid geweld aandoet. „Ik ben heel erg voor gelijkheid, begrijp me goed. Maar ik ben wel een historica. Ik denk eerst aan de geschiedenis en dan aan vrouwen, snap je?” Er wordt nu zo moralistisch naar de geschiedenis gekeken, zegt ze. Een voorbeeldje: „In een van de lemma’s staat dat een Dolle Mina zich door haar echtgenoot heeft laten adviseren om rechten te studeren, en toen kreeg ik het verwijt dat ik deed alsof zij dat zelf niet had kunnen beslissen. Maar als je zoiets al niet meer mag opschrijven, ga je de waarheid geweld aandoen. We zijn helemaal ontkerkelijkt, maar er komt een nieuwe moraal voor in de plaats die een soort superioriteit uitdraagt.”

„Ik ben nu wel weer heel ontevreden over hoe ik m’n ideeën onder woorden breng”, zegt ze ineens. „Ik had het idee dat ik het beter op een rijtje had, maar dat valt tegen moet ik zeggen. Dat is dan weer een hele vrouwelijke opmerking… hahaha!” Ze kijkt in het lichtblauwe Moleskineboekje en leest voor: „Vrouwen verpesten het vrije speelkwartier van de mannen. Vrouwen zijn en blijven subversief, heb ik opgeschreven. Mannen blijven hoffelijk totdat ze echt last krijgen van vrouwen.”

Ze fronst haar wenkbrauwen. Wat bedoelde ze hier eigenlijk mee?

Mathilde Willink, wandelend kunstwerk 1938-1977
Foto Theo Naessens
Raden Adjeng Kartini, pionierster rechten van Javaanse vrouwen 1879-1904
Foto Theo Naessens

Boodschappen doen

De schemering valt in en Kloek wordt drie keer achter elkaar gebeld door Frits, die haar aanspoort tijdig boodschappen te doen. Normaal doen ze dat samen op zaterdag, voor de hele week, maar dit weekend zijn ze eropuit en dus moet het nu, op vrijdagmiddag. „Al twintig jaar lang hebben wij een ijzeren systeem voor de boodschappen. Het geeft heel veel veiligheid en structuur. Dat vind ik ook het moeilijke aan met pensioen zijn, de structuur die weg is.”

Dat is een enorm probleem, vertelt ze. „Ik worstel er als een gek mee, met hoe ik mijn bestaan nu ga invullen. De buitenwacht zegt dat ‘1001 Vrouwen’ een soort levenswerk is, en zelf ervaar ik het ook zo. Maar m’n leven is nog niet voorbij. Ik moet het afhechten, maar ik weet niet hoe. Moet ik zeggen: dit was mijn levenswerk, nu ga ik viool spelen? Ik kan ook weer boeken gaan schrijven, maar het lastige is dat ik dan ook weer erkenning wil. Want het is ook geldingsdrang hè, van mij. Het heeft een beetje met bestaansrecht te maken, dat ik denk: dan heeft mijn leven zin.”

Identiteitspolitiek

Een paar dagen later stuurt Els Kloek een mail getiteld ‘identiteitspolitiek, rolmodellen en slachtofferschap’. Dat zijn de thema’s waar ze zich nu vooral druk om maakt, schrijft ze; is dat wel genoeg uit het interview naar voren gekomen? Voor de duidelijkheid: met haar project wilde zij wel de aandacht op vrouwen richten, maar het was niet de bedoeling om vrouwen rolmodellen voor te schotelen. „In ons redactieformat moest het juist om het héle leven gaan: een biografische benadering, geen ideologische of feministische.”

Ze verzet zich tegen identiteitspolitiek omdat die geen oog heeft voor dat héle verhaal. „Een mens heeft zoveel identiteiten. Ik ben vrouw, domineesdochter, historica, hetero, de jongste in een groot gezin, linkshandig, babyboomer, moeder…”

Te vaak hebben mensen geen oog voor deze complexiteiten en denken ze (naar goed marxistisch voorbeeld) in binaire termen als goed en slecht, zwart en wit, dader en slachtoffer, schrijft Kloek. „De werkelijkheid is een soort grabbelton waarin iedereen vrijelijk zijn daders en slachtoffers kan graaien.” Ze wil het nóg eens benadrukken: wetenschap draait om een zoektocht naar de waarheid, hoe onbereikbaar ook. „Zodra we dat loslaten, verwordt wetenschap tot ideologie of geloof.”

Thea Beckman, schrijfster 1923 - 2004
Foto Theo Naessens
Eva Ment, vrouw van Jan Pietersz.Coen 1606-1652.
Foto Theo Naessens

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.