Hoe lastig het is om als vrouw je boosheid te uiten

Kwaad Voor veel vrouwen is het moeilijk om hun woede te uiten, een ruzie eindigt al gauw in tranen. Een zoektocht naar de oorzaak. „Als kind leren de meesten van ons om boosheid te beschouwen als onvrouwelijk.”

Illustraties Martien ter Veen

‘Ik wil wel even wat drinken.” Mijn geliefde ploft met een zucht op een kruk in de bar. Na uren rijden zijn we in de buurt van Milaan in een snelweghotel beland. Het restaurant is gesloten, alleen de wit glanzende formica bar in de lobby is nog open. Uit de speakers schalt een Italiaanse zomerhit.

„Wat een klotemuziek”, merk ik geïrriteerd op.

„Jezus. Dan gaan we wel naar de hotelkamer.” Verongelijkt glijdt mijn vriend van de barkruk en stevent af op de lift.

„Zo bedoelde ik het niet”, sputter ik nog na. Maar het is al te laat.

In de hotelkamer barst de bom. Moeheid en opgebouwde frustraties leiden tot een knallende ruzie. Terwijl mijn geliefde duidelijk samenvat wat hem dwarszit, word ik almaar kwader, zeg dat hij me niet begrijpt – en barst in tranen uit. Moegestreden rolt hij in bed en trekt de dekens over zich heen. Ik draai mijn rug naar hem toe en staar snikkend in de duisternis.

Het voorval zet me aan het denken. Ik moet wel vaker huilen als ik boos ben. Maar waarom eigenlijk? Waarom ben ik niet even kwaad zonder me meteen diep gekrenkt te voelen?

Ik ga op onderzoek uit en stuit op een artikel op de site van Psychology Today, getiteld Men’s Fears of Women’s Anger. Psychotherapeut Avrum Weiss beweert dat het niet ongebruikelijk is voor vrouwen om in tranen uit te barsten als ze woede ervaren. Lastig, want vrouwen kunnen op die manier niet direct hun boosheid uiten. Maar ook ingewikkeld voor anderen, die niet weten of een vrouw nou ook daadwerkelijk boos is.

Dit leidt, schrijft hij, met name in heteroseksuele relaties tot een ingewikkelde dynamiek waarbij mannen vaak het gevoel krijgen op eieren te moeten lopen, terwijl een vrouw in de knoop zit, omdat ze haar emoties niet voldoende kan uiten. Weiss: „Als we meer ruimte maken voor vrouwen om hun gevoelens te uiten, inclusief woede, dan krijgen mannen meer de kans zich op hun gemak te voelen.”

Ik vraag me af of deze conclusie niet wat overdreven is. Voordat ik in tranen uitbarst, heb ik echt wel gezegd wat me dwarszit. En mijn geliefde en ik kunnen, meestal later, wel tot de kern komen van wat ons nou werkelijk dwarszat. Ik besluit de proef op de som te nemen.

Van boosheid naar onmacht

„Heb jij het idee dat ik boos ben zonder dat ik het uit?” Mijn vriend knikt instemmend. „Jij kunt heel indirect zijn. Ik kan vaak al aan je lichaamstaal zien wat je écht wilt.” Ik schiet in de lach. Inderdaad, ik vind het soms moeilijk direct te uiten wat ik voel. „Waarom troostte je mij eigenlijk niet, die keer in het hotel?” vraag ik. „Omdat ik kwijt wilde wat mij dwarszat. Als jij dan gaat huilen, gaat het ineens over jou – niet meer over het onderwerp waar we het over hadden. Door de afstand die ik dan voel, kan ik je niet troosten.”

Ik snap zijn punt, maar voel me ook een beetje verongelijkt. Ik kan best boos zijn, alleen: zodra ik het idee heb niet begrepen te worden, verandert mijn boosheid in onmacht. Dan ga ik huilen. Dat is toch normaal?

Ik besluit verder te graven en stuit op tal van artikelen over dit onderwerp. Niet alleen hebben heel wat vrouwen last van woede-issues, het probleem leeft op een breder, maatschappelijk niveau. Want is een vrouw wél in staat haar woede te uiten, dan wordt ze vaak niet serieus genomen of wekt ze negatieve reacties op.

Hillary Clinton beschreef hoe ze haar gehele politieke carrière ervoor waakte nooit als ‘kwaad’ over te komen

Een goed voorbeeld is de woede-uitbarsting van tennisster Serena Williams, die zich tijdens de US Open afgelopen november onheus bejegend voelde door de scheidsrechter. Haar boosheid werd al snel door diverse media samengevat als ‘hysterisch’. Williams zelf werd uitgemaakt voor ‘klein kreng’ en ‘huilende diva’. En uit de meer beschouwende stukken kwam naar voren dat de tennisster blijkbaar niet kon ontkomen aan het racistische imago van ‘angry black woman’.

De boosheid van Serena Williams tegen de scheidsrechter tijdens de US Open.

Een etiket dat Michelle Obama, aldus haar autobiografie Becoming, als First Lady eveneens kreeg opgeplakt – de reden waarom ze afgelopen november in de podcast 2 Dope Queens een oproep deed, gericht aan alle vrouwen. „Als je een vrouw bent en je bent te boos, luisteren mensen niet meer naar wat je te zeggen hebt. (…) Ik zou dat graag willen veranderen.” Ook Hillary Clinton beschreef in What Happened – haar boek over het verloop van de presidentiële verkiezingsstrijd van 2016 – dat niets Amerikanen zo afstoot als een boze vrouw en dat ze gedurende haar gehele politieke carrière ervoor heeft gewaakt nooit als ‘kwaad’ over te komen.

Waar ligt de oorsprong van dit soort vooroordelen? Het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic gaf een paar jaar terug een voorzet met het artikel ‘The Confidence Gap’. Hierin stelden de auteurs dat, ook al zijn er steeds meer vrouwen vertegenwoordigd op de werkvloer, zij nog steeds het glazen plafond nauwelijks weten te doorbreken. De reden? Een gebrek aan zelfvertrouwen. Veel factoren dragen hieraan bij – zo zorgen bijvoorbeeld hoge testosteronconcentraties bij mannen ervoor dat ze meer risico’s durven te nemen dan vrouwen.

Maar met name opvoeding speelt een rol. Zo worden meisjes op de basisschool al beloond voor ‘goed gedrag’ aangezien ze over het algemeen voorlijker zijn dan jongens. „Meisjes kunnen zich beter concentreren, zijn verbaal beter ontwikkeld en kunnen zich sociaal beter aanpassen”, aldus de schrijvers. Het gevolg: meisjes zijn minder gewend dan jongens om te falen, worden beloond voor goed gedrag en blijven vervolgens op zoek gaan naar positieve bevestiging.

Ook Soraya Chemaly, auteur van het boek Rage Becomes Her: The Power of Women’s Anger (in vertaling: Fonkelend van Woede), bevestigt dat meisjes thuis en op de basisschool al beloond worden voor meegaand en behulpzaam gedrag. „Als kind leren de meesten van ons om boosheid te beschouwen als onvrouwelijk, onaantrekkelijk en egoïstisch”, schrijft Chemaly in het artikel Why Women Don’t Get to Be Angry. „Velen krijgen te horen dat we met onze woede anderen iets opleggen, waardoor we lastig zijn en afkeer opwekken. Dat we ons vervreemden van degenen van wie we houden en mensen ermee afstoten.” Het gevolg: vrouwen leren indirect hun woede te uiten. Met alle gevolgen van dien, want in plaats van de boosheid eruit te gooien worden vrouwen passief agressief, roddelen in plaats van iemand de waarheid te zeggen of barsten in tranen uit.

Is het aan het veranderen?

Herkenbaar, vind ik, ook al heb ik het gevoel dat in dit #MeToo-tijdperk inmiddels heel wat vrouwen zijn opgestaan die uiterst nuchter verwoorden wat hen niet bevalt aan bijvoorbeeld mannelijke dominantie, seksueel misbruik of onderbetaling. En een boze Theresa May of Angela Merkel komen toch ook geregeld in het nieuws zonder te worden afgekraakt?

Zitten we dus inmiddels niet in een overgangsfase? Volgens Chemaly ligt het niet zo eenvoudig. Het probleem van de vrouwelijke woede zit immers diep verankerd in onze maatschappij. Want ook al verschilt de manier waarop mannen en vrouwen woede ervaren nauwelijks van elkaar, er schort nog veel aan de opvoeding van meisjes, vindt zij. „Ouders praten met meisjes meer over emoties dan met jongens, maar woede valt daar niet onder. Wie kan zich een moment herinneren met een autoriteit of rolmodel een gesprek te hebben gehad over boosheid en wat je eraan kan doen? Als je een vrouw bent is de kans groot dat het antwoord negatief is.”

Ik heb als kind of puber inderdaad nooit een gesprek gehad over boosheid. Sterker nog, ik durfde niet eens boos te worden. De enige die in het huis kwaad werd was mijn vader, mijn moeder was gewend haar boosheid in te slikken. Bovendien vond ze dat ze het verdriet daarover moest verbergen, omdat het een blijk van zwakte zou zijn.

Dan ben ik waarschijnlijk een monster, maar liever een monster dan dat ik depressief ben

Maaike Meijer, hoogleraar genderstudies

„Ik ben opgegroeid met het idee dat mannen belangrijker zijn dan meisjes”, zegt mijn 90-jarige moeder als ik haar er nu naar vraag. Vanuit die ondergeschikte positie was het voor haar normaal om emoties – en zeker boosheid – niet te uiten. „Ik heb het ook nooit gedurfd. Wel voelde ik me vaak verongelijkt. Maar mijn verweer was niet om boos te worden, ik ging huilen, uit pure machteloosheid.”

Ik herken iets van dat machteloze gevoel, toch zie ik mezelf niet als ondergeschikt aan de man. Nooit gevoeld ook, want ondanks hun onderlinge geschillen kreeg ik van mijn ouders alle ruimte om mij volledig te ontplooien. Waarom dan toch die tranen?

Taboe van vrouwelijke woede

Ik besluit naar Sign of the Times te gaan, een avond van Internationaal Theater Amsterdam en De Balie met als titel ‘She’s Mad as Hell’. In de Amsterdamse Stadsschouwburg praten politica Sylvana Simons en hoogleraar genderstudies Maaike Meijer over het taboe van de vrouwelijke woede. Ik verwacht dat ze zullen vertellen hoe zij op jonge leeftijd al leerden hun woede te ventileren, maar al snel blijkt dat ook zij dit niet hebben meegekregen. Simons vertelt dat zij pas op latere leeftijd leerde haar boosheid te uiten – en nog steeds moeite heeft om de woede toe te laten. „Wie mij googelt denkt dat ik voor het ontbijt al iemands hoofd heb afgebeten”, zegt ze schertsend. Maar wordt ze boos, of haalt ze echt uit, zoals recent te zien was in de documentaire Sylvana, Demon of Diva, dan zit ze daar later toch mee. „Ik vond achteraf dat ik dat niet had mogen toestaan. Dat is een soort ambivalentie waar veel vrouwen mee zitten.”

Ook Meijer leerde als kind nooit haar woede te uiten. „Je moet braaf en gehoorzaam zijn, goed je best doen en lief zijn.” Ze vertelt dat ze hierdoor op latere leeftijd last kreeg van depressies. Pas tijdens therapie ontdekte ze dat ze eigenlijk ‘enorm woedend’ was. „Na een sessie stond ik met de fiets bij een stoplicht en dacht: ik moet het risico nemen om zo kwaad te worden als ik ben. Dan ben ik waarschijnlijk een monster, maar liever een monster dan dat ik depressief ben.”

Ik probeer me voor te stellen hoe het zou zijn als ik telkens precies zeg wat ik vind en nooit meer mijn boosheid inhoud. Verander ik dan ook in een monster? Ik ben benieuwd wat mijn geliefde erop te zeggen heeft. Ik vraag hem of hij zou willen dat ik mijn boosheid beter uit. „Wow, wat een vraag”, reageert hij enigszins overdonderd. „Dat vind ik lastig, want wat hebben jij en ik uiteindelijk aan die woede? Als je boos bent, verlies je jezelf. Het gaat om wat er onder de woede ligt.”

Ik denk aan een andere opmerking die Meijer maakte tijdens de debatavond. Ook zij concludeerde dat we er uiteindelijk niet komen door slechts ‘woedend’ te worden. Het gaat erom wat iemand met zijn of haar woede doet. „Dan pas kan het een creatieve kracht worden”, aldus Meijer. „Je moet het zien als een instrument om te ontdekken wat je niet wil en om vorm te geven aan een alternatief. Want uiteindelijk gaat het erom zelf de wereld te creëren die je wilt hebben.”

Lees ook: ‘Heterostellen kunnen nog iets van homostellen leren’

Terug naar mijn eigen woede-probleem. Hoe ga ik dan mijn betere wereld creëren? Ik realiseer me dat ik best mijn boosheid kan uiten, maar dat het misgaat op het moment dat iemand me het gevoel geeft dat ik ‘iets niet goed doe’. Of als ik het idee heb dat iemand mij niet ziet staan.

Shit. Zit er in mij dus toch een braaf meisje dat gecomplimenteerd wil worden? Misschien moet ik een omgeving creëren waarin ik me vrijer voel om fouten te maken.

Maar dat begint natuurlijk bij mezelf. Laat ik maar eens flink mijn kop stoten. Te beginnen met dit artikel. Want wat als anderen me nu totaal belachelijk vinden? Of het niet met me eens zijn? Word ik dan boos?

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.