Foto Lars van den Brink

Hij sleutelt nog aan oude Citroëns: ‘Ik ben verslingerd aan die oude beestjes’

Cees Visser (73) is eigenaar van een van de laatste autogarages waar je met een klassieke Citroën terecht kan. Voor hem is een Citroën geen vervoermiddel, maar een kunstwerk. „De eerste die ik kocht. Zo’n mooie auto. Het voelde alsof ik verliefd was.”

In een blauwe loods langs de autoweg van Amsterdam naar Haarlem zit een van de laatste garages van het land waar liefhebbers van oude Citroëns terecht kunnen als er iets aan hun klassieker schort. Cees Visser (73), de Citroën-healer, is eigenaar en enig werknemer van garage Traction Avant – Frans voor voorwielaandrijving én de naam van de eerste auto waarmee André Citroën in 1934 de wereld verbaasde. Cees Visser is altijd om half 8 in z’n loods, „ook op zaterdag en ook als het binnen waait”. In de dertig jaar dat hij hier nu zit, heeft hij geen dag zonder werk gezeten, zegt hij.

Op het pad naar de garage staat onder een dekzeil, een Citroën DS – het bekendere na-oorlogse model, bijgenaamd de Snoek. In een bijgebouwtje achter het aanpalende, vervallen woonhuis, wacht er nog een op verzorging. In de werkplaats sleutelt Cees Visser aan een doorgeroest Citroënbusje – een HY-model – dat voor de leek misschien op sterven na dood lijkt, maar niet voor hem. „Ik ben verslingerd aan die oude beestjes.” Zijn loods ligt van onder tot boven stampvol onderdelen en gereedschappen om het busje tot leven te wekken, en in het zeldzame geval dat hij het juiste materiaal niet in huis heeft, maakt hij het zelf. „Ik had gedacht dat het nu wel afgelopen was met die bejaarde bussen. Maar néé hoor.” Hij lacht. „Tegenwoordig maken ze er, hoe heet het, food trucks van. Friet willen ze erin bakken. Of crèpes. Wie had dat ooit voor mogelijk gehouden.”

De mensen die bij hem komen, zegt hij, zijn klanten dus, óók de jongelui, dat zijn gevoelige mensen. „Met een hang naar het verleden. Wel in gezonde vorm hoor, maar het zijn gevoelsmensen die willen vasthouden, niet loslaten.” Er zijn klanten die hij al vijftig jaar kent, hij heeft vrienden aan de autoliefhebberij overgehouden; veel kunstenaars zitten ertussen, een schrijver, een burgemeester, een hoogleraar, en daar dan soms weer de zoons van. „Je moet iemand mógen om aan z’n auto te sleutelen.” Een Citroën is geen vervoermiddel, het is wat hem betreft een kunstwerk. Het werk eraan valt nauwelijks in geld uit te drukken. „Zou ik elk uur rekenen, dan werd het onbetaalbaar.” Wat hij de klant rekent is „nattevingerwerk”.

Ik sprak twee woorden Frans. Ik zeg: ik wil een Traction Avant. Die was fini, zeiden de Fransen. Op. Ik moest de DS kopen, de nieuwe. Die wou ik niet

Cees Visser

Hij houdt kantoor op een tussenverdiepinkje in de loods. Stapels paperassen, gereedschap, oude filmblikken, en daartussen een waterkoker waarmee hij behoedzaam oploskoffie maakt. Een elektrisch kacheltje brandt behaaglijk. Zijn oom, zegt hij, reed in een Traction Avant, het vooroorlogse model dat je tegenwoordig alleen nog ziet in films die zich afspelen in de vorige eeuw. De oude Citroën, noemt Cees Visser die auto. „Ik hield er op slag van.” Zijn aangetrouwde oom was de vorige eigenaar van de garage. „Voordien werkte hij in de garage van zijn vader.” Dat was in Amsterdam-West. Die oom had het niet best thuis, dat weet hij wel. „Zijn vader was gewelddadig. Toen mijn tante met hem trouwde, wilde ze geen zoon van hem uit angst dat hij een zoon hetzelfde zou aandoen als zijn vader hem.”

Zijn oom betrok met vrouw en dochter het woonhuis aan de ventweg en maakte van de naastgelegen loods – een voormalige machinefabriek voor kunsttanden – een garage. „Ik was hier als jongen graag, al zagen mijn ouders dat niet zo zitten, zij vonden hem, charmant gezegd, ongeschikt voor mij. Maar ik zag hem als een afgod. Alles wat ik kan, heb ik van hem geleerd. Alle kennis en kunde van Citroëns, heb ik door hem. Ik was zijn surrogaatzoon, hij liet me alles zien. Maar wel op een, hoe zal ik het zeggen, arrogante manier. Hij deed iets voor en dan vroeg hij of ik het snapte. Dorst ik geen nee te zeggen natuurlijk. Zei hij: ‘Vertel het dan eens na.’ Kleinerend, ja, dat was het. Hij wilde me kneden naar zijn hand.” Soms, na een ruzie, bleef Cees Visser er een tijdje weg. „Maar het werk trok me. Dus ging ik terug.”

Foto Lars van den Brink

De óúde Citroën, de auto waar hij als jongen verliefd op werd, werd allengs van de weg verdreven door de nieuwere modellen. „Maar in Frankrijk, daar zouden er nog plenty rijden.” Dus hij, 22 jaar oud, naar Parijs waar Citroën een fabriek had. „Ik sprak twee woorden Frans. Ik zeg: ik wil een Traction Avant. Die was fini, zeiden de Fransen. Op. Ik moest de DS kopen, de nieuwe. Die wou ik niet, ik wou een ancien Citroën.” Uiteindelijk heeft hij voor 400 francs – de franc stond toen 72 cent – een exemplaar gekocht van een oude Parisienne. „De eerste die ik kocht. Zo’n mooie auto. Het voelde alsof ik verliefd was.” Jarenlang is hij daarna met een HY-bus heel Frankrijk afgereisd om onderdelen en gereedschap op te kopen. Citroëns zijn alleen met Citroëngereedschap te repareren en dat werd, toen de auto’s niet meer in productie waren, schaarser. De afgedankte auto’s die hij kocht, stalde hij in zijn speciaal daartoe aangeschafte boerderij op het Franse platteland.

In die jaren kwam hij, na afronding van de HTS, te werken op de tekenkamer van een ingenieursbureau. „Je tekende met een heel groepje onderdelen voor Fokker, KLM, DAF.” Mooi werk, daar niet van, maar er hoefde er maar één op de afdeling een fout te maken en het ontwerp stortte in elkaar. Na zeven jaar ging hij er met ruzie weg en toen is hij „op de bonnefooi” een eigen garagebedrijf begonnen in Amsterdam-West. En toen zijn oom doodging en hij zijn garagebedrijf kon overnemen, runde hij er tijdelijk twee. Zijn tante, ze is ver in de negentig geworden, woonde tot haar einde in het huis ernaast. Nu staat het alweer geruime tijd leeg, eigenlijk is het zo goed als onbewoonbaar.

Cees Visser woont in zijn voormalig ouderlijk huis. Een jaar geleden is Saskia bij hem komen wonen. Ze is 31, hij heeft tien jaar geleden kennis met haar gemaakt toen ze serveerster was in een uitspanning waar hij graag koffie dronk. „Zij komt oorspronkelijk uit Sneek, ik heb een zuster in Groningen wonen. Ze reed wel eens met me mee die kant op.” Het is, op z’n 73ste, voor het eerst dat hij samenwoont. „Ze woonde ergens antikraak, heel treurig.” Ze is een intelligente meid, zegt hij. „Ik zie een kunstenares in haar, alleen moet het er nog uitkomen.”

De bedrading, de aansturing, alles is computergestuurd. Als er iets stuk is, valt het niet meer op te lappen

Cees Visser

Hij zegt het misschien een beetje „spastisch” maar hij bedoelt te zeggen dat hij in haar een kopie van zichzelf ziet. „Ik solliciteerde alleen maar bij het ingenieursbureau uit beleefdheid voor mijn ouders. Ik wilde onafhankelijk zijn, het op mijn manier doen. Maar ik was daarentegen wel gemotiveerd om te werken. Mijn moeder – ze is als baby weggegeven – zei altijd tegen me dat ik voor mezelf moest zorgen, want een ander zou dat nooit doen.” Saskia fantaseert erover in het huisje naast de loods te wonen, eventueel kan ze er, als hij de boel heeft opgeknapt, een koffiehuis beginnen. „En als ik er niet meer ben, wil ze de loods inclusief gereedschap aan Citroënklussers verhuren. Dat zégt ze gewoon. Maar goed, ze zegt ook dat ze van me houdt. Dus dat neem ik dan maar aan.”

Lees ook het interview met Frank van Rouendal: Hij deed waar velen van dromen: een eigen auto ontwerpen

Hij daalt achterwaarts de ladder af naar zijn werkruimte en beklopt in het voorbijgaan het oude HY-busje dat hij gereedmaakt voor een gezin dat het gebruiken wil als camper. „De DS, de SM, de XM, ze zijn allemaal volgens hetzelfde patroon geborduurd.” De auto’s van tegenwoordig – hij rijdt zelf in een Citroën Berlingo – zitten vol elektronica. „De bedrading, de aansturing, alles is computergestuurd. Als er iets stuk is, valt het niet meer op te lappen. Wat er vanbinnen zit, is onberedeneerbaar geworden.” Nee, dan de oudjes die hij heeft staan. „Het vrijdragende chassis, de hydraulische remmen, de zelfdragende carrosserie. De volmaaktheid ervan.” Klinkt gek misschien, het klikt tussen hem en die auto’s. „Hoe het in elkaar gezet is, de denkwijze erachter, dat is de mijne. De constructie klópt. Ik snap die binnenkant.”