Recensie

Recensie Boeken

Het kleine geweld in een dominante machocultuur

Melba Escobar Even lijkt het chicklit, maar allengs verandert deze debuutroman van de Colombiaanse Escobar in een inktzwarte, maatschappijkritische aanklacht tegen een corrupte en gewelddadige samenleving.

Vrouwen? Breek me de bek niet open. De debuutroman De schoonheidssalon van de Colombiaanse Melba Escobar (geen familie van) begint meteen met een sneer richting de Colombiaanse vrouw: ‘Ik haat alles waar deze niet biologisch afbreekbare vrouwen met hun geëpileerde wenkbrauwen voor staan’, zegt ik-persoon Claire Dalvard. ‘Ik haat hun schrille, geaffecteerde stemmetjes als van vierjarige poppetjes, kleine narcohoertjes geperst in een vrouwenlichaam maar wel rechtop als een man.’

Benauwend, vindt Dalvard deze macho-kindvrouwtjes. Ze doen haar denken aan alles wat kapot is in een land dat al ruim dertig jaar wordt geteisterd door maffioze types en gewetenloze politici. Een oord waar ‘kinderachtige mannen altijd op zoek zijn naar een vrouw om te neuken’ en ‘de waarde van een vrouw wordt afgemeten aan de omvang van haar kont’.

Dalvard, psychoanalytica van middelbare leeftijd, kijkt met de blik van een buitenstaander naar Colombia. Na jaren in Frankrijk te hebben gewoond is ze terug in Bogotá waar ze in een schoonheidssalon Karen Valdés ontmoet, een ‘wilde, ruwe schoonheid’. Karen probeert in de salon geld te verdienen om haar zoontje uit Cartagena te laten overkomen. Dat blijkt niet eenvoudig aangezien Karen, nadat een van haar klanten is vermoord, verstrikt raakt in een web van intriges waar de politieke elite van Bogotá een grote rol in speelt.

Zo verandert een verhaal over een schoonheidssalon – een setting die eerder past bij een luchtig chicklit-verhaal – in een inktzwarte, maatschappijkritische aanklacht tegen een corrupte en gewelddadige samenleving. Een bewuste keuze, aldus Melba Escobar (1976), die eerder in een interview vertelde dat ze met haar roman een ander verhaal wilde schrijven over Colombia. Dit keer geen beschrijvingen over het gewelddadige karakter van de drugsoorlog of de FARC, maar een verhaal over het ‘kleine geweld’ dat deel uitmaakt van de dominante machocultuur.

Inderdaad komt dit alledaagse geweld – vrouwenmishandeling, discriminatie van indianen, de vernederende sociale codes tussen rijk en arm – uitgebreid aan bod. Zo wordt een hoofdstuk over een brute verkrachting afgewisseld met een sociologische verhandeling over het chemisch steil maken van afrohaar – een product dat pijn doet aan ogen en hoofdhuid en ruikt naar rotte eieren.

Wie geen steil haar heeft, maakt minder kans op een baan, en dus zorgt Karen – die de huidskleur heeft van president Obama, maar de gelaatstrekken van een witte Europeaan – ervoor dat haar haren de perfecte steilheid krijgen. Het levert haar de bijnaam Pocahontas op, een cynische verwijzing naar het Disney-sprookje.

Dat Escobar met dit boek allesbehalve een sprookje vertelt, moge duidelijk zijn. Haar roman is een spannende whodunnit waarin op pijnlijke wijze de fragiele levensomstandigheden van vrouwen aan de kaak wordt gesteld. Trefzeker schetst Escobar het leven in een land waar vrouwen vrolijk behoren te dansen op de klanken van de bachata en de champeta, maar waar soms bitter weinig te vieren valt.