Recensie

Recensie

Een opportunist met gebreken

Hendrik de Man (linksmidden), koning Leopold III en koningin Astrid (r) in de jaren dertig
Hendrik de Man (linksmidden), koning Leopold III en koningin Astrid (r) in de jaren dertig Foto uit besproken boek

Wie de jaren vóór de val van de Muur niet bewust heeft meegemaakt, kan zich waarschijnlijk niet goed voorstellen welke rol ideologieën speelden in de vorige eeuw. Sindsdien hangt vrijwel iedereen een variant van het liberalisme aan, en zelfs het zogenoemde populisme kun je moeilijk als ideologie beschouwen. Een ideologie is immers niet louter een verzameling politieke standpunten, maar is gebaseerd op een specifiek mens- en wereldbeeld, een idee over de gewenste samenleving, en een geschiedfilosofie.

Een van de raadsels was dan ook, hoe het mogelijk was dat mensen die een tijd lang een bepaalde ideologie hadden aangehangen, zich vrij plotseling konden bekeren tot een ideologie die hier lijnrecht mee in strijd was. Een berucht geval was de Belgische denker en politicus Hendrik de Man (1885-1953). Begonnen als marxist bepleitte hij tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin hij als officier diende, het voortzetten van de oorlog totdat Duitsland definitief verslagen was. In 1926 publiceerde hij het veelvuldig vertaalde boek Zur Psychologie des Sozialismus, waarin hij scherpe kritiek uitte op het marxisme. Dit was in zijn ogen veel te materialistisch en rationalistisch. Hij zag het socialisme als een ethisch ideaal, een doel om na te streven, en niet als de uitkomst van anonieme economische ontwikkelingen.

Nadat Hitlers machtsovername een einde had gemaakt aan De Mans wetenschappelijke carrière in Duitsland en hij was teruggekeerd naar België, kwam hij eind 1933 met zijn Plan van de Arbeid. Deze combinatie van anticyclische conjunctuurpolitiek en een pleidooi voor socialisatie van sleutelindustrieën, de financiële sector en de energievoorziening, was bedoeld als antwoord op de diepe economische crisis.

Door een deel van de Belgische socialistische beweging werd hij verwelkomd als de verlosser, maar toen hij in 1935 minister werd in een kabinet dat geen boodschap had aan zijn Plan, bladderde zijn reputatie snel af. Zijn ideeën werden steeds autoritairder, en nadat België door de Duitsers was bezet, hief hij, inmiddels partijvoorzitter, de Belgische Werkliedenpartij eigenmachtig op. Hij bleek bereid tot collaboratie, al kwam er van zijn plannen om van België een corporatieve staat te maken niets terecht. Eind 1941 trok hij zich gedesillusioneerd terug uit de politiek en hij vluchtte naar Zwitserland, waar hij in 1953 bij een auto-ongeluk omkwam.

Vaak is gesuggereerd dat socialisten die het marxisme loslieten bij het fascisme moesten uitkomen, maar deze zogenoemde ‘hellend vlak-theorie’ heeft als grootste nadeel dat er nogal wat feiten waren die daar haaks op stonden. Zo hadden Nederlandse tijdgenoten van De Man als Willem Banning, Koos Vorrink en Jacques de Kadt ook fundamentele kritiek op het marxisme zonder zich tegen de democratie te keren en te collaboreren.

Ijdelheid en geldingsdrang

In zijn nieuwe biografie van De Man laat historicus Jan Willem Stutje overtuigend zien dat het bij De Man vooral zijn ijdelheid, geldingsdrang, autoritaire karakter en opportunisme waren, plus de specifieke politieke omstandigheden in België, die hem ertoe brachten samen te werken met de nazi’s. Stutje behoort niet tot het type biograaf dat primair uit bewondering een boek schrijft – zijn vorige biografieën hadden als ‘helden’ de stalinist Paul de Groot, de trotskistische econoom Ernest Mandel en de antisemitische anarchist Domela Nieuwenhuis – maar hij is vooral geïnteresseerd in de positie en het handelen van leiders binnen socialistische bewegingen. Die bewegingen zijn immers in naam egalitair van aard en pretenderen het heil der ganse mensheid na te streven. Stutje concentreert zich daarom op de spanningen tussen hun idealen hun overige, vaak minder nobele drijfveren. De Man was wat dit betreft ook een interessante ‘kluif’, want tussen het beeld van deze socialist en de werkelijkheid gaapt een forse kloof.

De kritiek van De Man op de sociaal-democratie van de jaren twintig en dertig was voor een deel terecht, en hij was ook veel invloedrijker dan anderen die met soortgelijke ideeën kwamen. Maar Stutje laat overtuigend zien dat er geen redenen zijn om hem als lichtend voorbeeld te beschouwen. Op zijn autoritaire politieke ideeën en steeds fanatieker nationalisme zitten we nu niet echt te wachten. Bovendien was hij zo’n nare kerel, die zijn vrouwen, kinderen en vrienden ronduit honds behandelde, dat je blij bent wanneer je het boek kunt dichtslaan.