Foto Frank Ruiter

‘Wijk gewoon eens van de route af als je durft’

Lunchinterview Eric Brinckmann (58) , filosoof en natuurbeheerder, verruilt zijn bootschoenen voor buitenschoenen om een rondje filosofisch te wandelen. „Je moet niks. Niet verklaren, maar ervaren.”

Pas toen we even een stukje taoïstisch gingen wandelen door een strookje Amersfoorts bos kwam er wat rust over Eric Brinckmann (58). Tot die tijd had hij me alle hoeken van zijn studeerkamer laten zien. Hij had voorgedragen uit een boekje met de natuurvorsingen van een der vroegste wandelaars, dominee Martinet uit 1778. Hij had zijn verzameling rond het thema klei gedemonstreerd, en daarna gaf hij me een stukje boomwortel in handen dat hij meenam van een wandeling die beschreven wordt in de allereerste Franse wandelgids uit 1837.

Maar het grootste deel van de tijd die we doorbrachten op de bank bij hem thuis in Amersfoort, vertelde hij wat hij ook in zijn boek Filosofische wandelingen uiteenzet: hoe „het denken over binnen en buiten door de eeuwen heen” is veranderd. Buiten, dat is de natuur. En tot zeker 1800 hebben ‘we’ in het Westen daar een complexe relatie mee gehad.

We begonnen de middag in de tuin, zonder jas ook al was het pas half februari. Zijn echtgenote, Edwina Rouffaer, restaurator van schilderijen en biologisch imker, liet de kippen uit hun hok en bracht koffie met ontbijtkoek. Ze vertelden over hun kinderen, een volwassen zoon en dochter, die beiden in Noorwegen wonen. Voor de Noren, zei hij, is het buiten een normale ruimte, het verlengde van de binnenruimte. „Ze weten hoe te leven in en met de natuur”, zei zij. „En dat is wat anders dan óverleven.” Regen, kou of sneeuw, de Noor picknickt langs de kant van de weg, in regenpak. „Friluftsliv”, zei hij. Noors voor vrijeluchtleven. Zij: „Er mag ook meer. Bomen omhakken, houtvuur maken.” Hij: „Daar zijn steden omgeven door de natuur, hier is de natuur omringd door steden.”

Ah, je ziet vruchtdragende klimop in bomen, daaronder zal kwel zitten.

Hun buiten is landgoed Het Lankheet in Haaksbergen, al een ruime eeuw in bezit van de Enschedese textielfamilie Van Heek. Edwina Rouffaer is gelieerd aan die familie en daarmee, net als vele andere verwanten, mede-eigenaar van het landgoed.

Vijfhonderd hectare bos, weilanden, heide, hoogveen en vennen. Particuliere natuur die professioneel moet worden onderhouden. Eric Brinckmann, opgeleid als jurist en filosoof, werd in 2010 mededirecteur en beheerder van het landgoed en sindsdien weet hij alles van historische vloeiweidensystemen, waterhuishouding en circulaire landbouw. Nu hij natuurbeheerder van beroep is, is hij zich meer dan ooit bewust van de schade die de mens toebrengt aan de natuur, het milieu en het klimaat. Hij is een jaar of wat geleden vegetariër geworden. „Vliegen doen we ook niet meer.” Ook niet naar Noorwegen? „We gaan met de auto, een oude diesel weliswaar, maar er valt wat voor te zeggen oud materieel zoveel mogelijk op te gebruiken”. Edwina Rouffaer steekt haar vinger op: „Eén adder onder het gras…” Hij weet wat ze bedoelt. „De boot. Die moet je wel nemen. En die is verschrikkelijk vervuilend.” Het is, zegt zij, allemaal best ingewikkeld.

Hapje van de grond

Als het buiten te fris wordt, verhuizen we naar binnen. Op de bank de Volkskrant en de VPRO-gids, op tafel het boek Gratis geld voor iedereen van Rutger Bregman. We zijn – via kerkvader Augustinus, schilder Jan van Eyck en de filosofen Descartes, Wittgenstein en Nietzsche – aanbeland bij hoe het zo gekomen is dat Eric Brinckmann wandelaar werd. Over natuur, zegt hij, kun je aan een vergadertafel heel lang praten. „We zijn landschap als productie-organisatie gaan bejegenen. De natuur moet worden ontwikkeld en aangestuurd, en moet gebruiksklaar zijn binnen de subsidietermijn.” Maar als je echt gevoel wilt krijgen bij die natuur of het landschap, moet je het anders leren begrijpen. Vroeger, zegt hij, nam de boer een hapje van zijn grond, en wist dan exact hoe de bodem eraan toe was. Om landschap te doorgronden, is een andere mood nodig, zegt hij. En die bereik je niet als je er met de auto doorheen rijdt, zelfs niet op de fiets, het lukt alleen als je het te voet doorkruist. „Al lopend neem je het landschap in je op. Je begrijpt de landschapslogica.”

Edwina Rouffaer brengt een bord boterhammen. Pindakaas met chilisaus, heksenkaas met komkommer, kaas van de koeien van het landgoed. Tot 1800, zegt hij, leefden we gescheiden van de natuur. De natuur was vijandig, onbeheerst en onvoorspelbaar. „Pas toen de mensen genoeg kennis en techniek hadden om de natuur te beheersen, trokken we naar buiten. Eerst aarzelend, maar al snel massaal.” Lopen werd, nu er alternatieven waren om van A naar B te komen, een spel in plaats van noodzaak. Lopen veranderde in wandelen en het wandelpad werd ‘uitgevonden’. „Wandelen herstelt onze relatie met de natuur.” Want wie loopt, voelt hoe lang een kilometer duurt. „Je krijgt een ander ritme, patronen vallen op. Ah, je ziet vruchtdragende klimop in bomen, daaronder zal kwel zitten.” Kwel is grondwater dat onder druk aan de oppervlakte komt.

Om te omschrijven wat het wandelen voor sensaties kan brengen, put hij uit de westerse en de oosterse filosofie en combineert dat met traditionele boerentechnieken. „Een taoïst schakelt zijn gevoel in, zijn lichaam is zijn instrument. Als de boer die zijn land proeft.” Zo registreert hij het landschap, in plaats van het te regisseren. Hij heeft geleerd het landschap intuïtief te ervaren. „Je voelt het water als het ware onder je voeten stromen. Je ziet de natuur in 4D.” Het klinkt misschien wat vaag, verontschuldigt hij zich – ik heb hem dan al verteld dat ik in mijn leven meer beton en asfalt heb gezien dan bomen. Niet vaag, zeg ik, maar het klinkt alsof het wandelen of lopen nog steeds nut moet hebben. Met als doel het ‘begrijpen’ van de natuur. Nee, nee, zegt hij. „Je moet niks. Niet verklaren, maar ervaren.”

Het best alleen

Een wandelaar zegt hij, legt een langere weg af. Letterlijk in tijd gemeten, maar hij bewandelt ook een route in zichzelf. „Je onderzoekt de denkbeelden die je opdoet naar aanleiding van de ruimte om je heen.” Echt wandelen doe je het best alleen. „Met anderen erbij loop je vaak alleen maar te oh’en.” Kies de paden die je leuk vindt, zegt hij. Of beter nog, wijk van de uitgezette route af als je durft, want verdwalen is een verrijkende ervaring. Hij grist zijn smartphone van de bank en houdt die voor z’n neus. Hij wil maar zeggen dat hij zelf ook de neiging moet onderdrukken om onderweg steeds te kijken hoe ver het nog is, en of hij nog wel de juiste kant op loopt. „We zijn gewend de natuur met instrumenten te lijf te gaan. In elk Nederlands dorp staat een klok, op elke hoek schijnt een lantaarnpaal.” Maar wie erin slaagt één te worden met de buitenwereld, begrijpt waarom de Kelten in hun taalgebruik de natuur als uitgangspunt namen, en niet de mens.

„Zij zeggen niet dat jij om de rots heen loopt. Nee, de rots nodigt jou uit om hem heen te lopen.”

Tot zover de theorie. Hij heeft ondertussen zijn bootschoenen verruild voor zijn buitenschoenen. We gaan een stukje wandelen, opdat hij wat „tao-foefjes” kan demonstreren. Niks moeilijks, zegt hij, hij wil alleen laten zien hoe je anders kunt kijken. Hij opent de deur naar de achtertuin, steekt het gazon over, opent een hek en daar begint de natuur in de vorm van een grindbult. Als ik achter me kijk, staat hij voorover gebogen een steen uit te zoeken. Hij houdt er één tussen duim en wijsvinger: „Een windkanter.” Gezandstraald door de wind, twaalfduizend jaar geleden, en miljoenen jaren oud. „Een prima mijmerobject.” We lopen door, ik concentreer me op het pad vol boomwortels voor me. „Kijk omhoog”, zegt hij. „We zijn gewend naar beneden te kijken, maar betrek de hemel er ook bij.” Hij ziet de top van de berkenstammen paarsig worden. Een teken dat het voorjaar komt.

Hij weet dat de Corsicaanse dennen na de oorlog zijn aangeplant, omdat ze snel groeien en dus snel hout leveren. En het geluid dat we horen – een zacht ‘kg’ ‘kg’ – zijn de dennenkegels die knappen door de warmte van de zon. De dode bomen die daar kriskras op de grond liggen, laten zien wat de huidige mode in natuurbeheer is. „We willen geen parkachtig bos meer, we houden nu van bos dat oud aandoet.”

Na nog geen vijfhonderd meter stuiten we op witrode bordjes. Door dit stukje natuur loopt een langeafstandwandelpad. „Je kunt zo naar Twente lopen.” Nee, zo’n bordje verstoort zijn natuurbeleving niet. Net zomin als zijn kennis over de natuur hem hindert. „Soms, als ik mossen zie, denk ik: ai, verzuring. Maar dan dwing ik mezelf ook de schoonheid ervan te zien.”

We lopen nu over een zandpad dat leidt naar de grote weg en als je die afloopt, wijst hij, kom je vanzelf bij het station. Hij wijst met beide armen naar de bomenrijen naast ons. „Ontfocus, kijk niet alleen vooruit, neem wat naast je blikveld ligt mee.” Het idee is dat de omgeving dan in beweging komt, zoals wanneer je door het zijraampje van een rijdende auto kijkt. Anders waarnemen, zegt hij, lukt niet in een uurtje. Maar misschien, als je het doorhebt, ga je het zien.