Recensie

Nieuwe roman Vuijsje geeft het racismedebat weer

Identiteitsroman De nieuwe roman van Robert Vuijsje is een herneming van zijn debuut Alleen maar nette mensen uit 2008: Salomons oordeel blijkt een prikkelende weergave van het debat over racisme.

Uit de serie 'Mixed feelings, split personalities'
Uit de serie 'Mixed feelings, split personalities' Foto Nick Dolding/Getty Images

Max Cohen, hoofdpersoon van Salomons oordeel, ziet eruit als een blanke Nederlander, vinden de blanke Nederlanders. Zelf rekent hij ‘mensen zoals ik’ niet meer tot die witte groep, ‘sinds de jaren ’40-’45.’ Zijn vrouw Alissa is zwart, zijn zoon Salomon lijkt op háár, en ze wonen in een deel van Amsterdam-Zuid tussen mensen die zichzelf blank noemen. Maar Max gebruikt in WhatsApp de emoji van een lichtbruine duim, niet de witte.

Een hoofdpersoon die anders waargenomen wordt dan hij zich voelt en de geliefde wordt van een vrouw van wie hij uiterlijk nóg meer afwijkt: in zulke algemene termen klinkt de nieuwe roman Salomons oordeel van Robert Vuijsje (1970) als een herhaling van Alleen maar nette mensen (2008). Zijn debuutroman, die lof oogstte, de Gouden Uil Literatuurprijs won, een bestseller werd én een fel debat ontketende.

Hoe het ook alweer zat: in die roman werd een Joodse Amsterdamse twintiger steeds aangezien voor Marokkaan. Hij zocht zijn heil in de Bijlmer, omdat hij op zwarte vrouwen viel. Vooral omdat zij de clichés belichaamden. Ze zijn verrassend, verklaarde hoofdpersoon David Samuels, en spannend, ze ruiken anders, hebben ritmegevoel, zijn vrolijk. ‘Is het omdat ze het grootste contrast zijn dat je kunt vinden?’ hield een psychiater hem voor. ‘Met de mensen die hier in de buurt rondlopen.’

Ophef kwam er omdat de clichés over zwarte vrouwen, hoe onpersoonlijk en instrumenteel Vuijsje ze ook had ingezet, toch racistische stereotyperingen bléven. Dat was poeren in de pijn van de zwarte vrouw die zo vaak tot seksueel object werd gemaakt. „En daar moet je niet onverschillig over doen”, zo citeerde NRC hoogleraar Gloria Wekker op een debatavond in mei 2009. Een week daarvoor swingde dezelfde roman nog ‘als een Afrikaanse tiet’, in de woorden van de literaire jury die Alleen maar nette mensen bekroonde.

Zo’n formulering doen we niet meer, weet nu iedereen die een beetje woke is – het woord voor wie niet ‘blank’ maar ‘wit’ zegt, voor wie vindt dat racisme niet alleen voorkomt bij WIC-slavendrijvers en witte puntmutsen, maar ook in het heden in Nederland. Het gesprek is veranderd, sinds de tijd van Alleen maar nette mensen: dankzij de betogen van onder meer Gloria Wekker, dankzij politiegeweld met racistische gronden, dankzij legio onderzoeken over de rol van identiteit en afkomst bij sollicitaties, dankzij de Zwarte Piet-twisten, dankzij opgekomen nationalisme en extreemrechts.

Het onderwerp racisme vult kranten, talkshows en Twitter-tijdlijnen. Zodoende is het discours rond ‘institutioneel racisme’ en ‘wit privilege’ doorgedrongen tot de mainstream – wat nog niet betekent dat het alom salonfähig is, vandaar de aanhalingstekens. Het fenomeen ‘identiteitspolitiek’ (ook een besmette term) en het denken over onafwendbare sociale en maatschappelijke effecten van een identiteit, verdelen de meningen tot op het bot.

Lees ook dit stuk van hoogleraar Gloria Wekker: Witte onschuld bestaat niet, maar dat wilt u van mij niet horen

Hokjesdenken

Salomons oordeel is in die context hoogstens een sóórt herhaling van Vuijsjes debuut, maar vooral een vervolg of herneming: met nieuwe feiten in een veranderde wereld wordt het vanzelf anders. Een verhaal over beknellende identiteiten en hokjesdenken in het Nederland van nu móet wel ingewikkelder zijn dan tien jaar geleden. Dat heeft Robert Vuijsje goed begrepen: zijn nieuwe roman is te lezen als een prikkelende weergave van een eindigend debat, terwijl de problemen nog allerminst opgelost zijn. Salomons oordeel begint met de bijzin: ‘Toen het allemaal nog een grap leek…’, waarna het verhaal van start gaat.

De hoofdvraag is dezelfde als die van Alleen maar nette mensen: bij welke groep hoor ik? Die vraag is niet voorbehouden aan jongvolwassenen (zoals David Samuels was), hij is aan de orde van de dag voor ongeveer-veertiger Max en iedereen om hem heen.

Als Max op straat loopt met Salomon, weet hij: ‘De mensen met dezelfde kleur als zijn zoontje dachten: wie denk jij wel dat je bent om hem zo toe te spreken? Dat jongetje hoort bij ons en niet bij jou.’ Salomon wil overigens graag naar een niet-witte middelbare school: ‘Met jongens die eruitzien zoals ik is het meteen anders.’ Leo, de Joodse grootvader van Max, brengt anekdotes over de bakker nog in verband met zijn Tweede Wereldoorlog: ‘Iedere nacht al die broden bakken, daar moet je ondernemend voor zijn. Weet je waar je ook ondernemend voor moet zijn? Onderduiken.’ Gerald, vader van Alissa, kwam in Nederland om te leven van een uitkering: ‘Eerst mogen ze mij terugbetalen wat ze ons schuldig zijn.’ En de hardwerkende buurvrouw van Max en Alissa in Oud-Zuid heeft, vindt ze zelf, alleen nog een zwarte huid: ‘Laurence had al gehoord dat Alissa oorspronkelijk uit de Bijlmer kwam, daar was niets mis mee en dat was natuurlijk niet haar eigen schuld, maar Laurence wilde even duidelijk maken dat ze niet wenste te worden aangesproken op het wangedrag van een zogenaamde soortgenoot.’ Allemaal hangen ze hun identiteit op aan wat ze zijn – op grond van hun uiterlijk, hun voorouders of hun opvoeding – niet aan wat ze doen, wat ze zelf in de hand hebben. Ze zitten vast in een hokje, of in hokjesdenken. Ook buurvrouw Laurence. Zij denkt, of weet, dat het gevaar van verstoting haar nog boven het hoofd hangt.

Eenduidig is dat niet: soms hebben ze geen keus, soms zijn ze vooral bezig met hun positie in de zieligheidshitparade. Sommige personages belichamen hun minderheidsidentiteit uit strijdbare overtuiging, sommigen tegen wil en dank, sommigen laten zich vooral leiden door wat de omgeving wel niet zal denken. Een behoorlijk grappig en onschuldig voorbeeld daarvan is wanneer Max met een rolkoffertje bang is om aangezien te worden voor toerist, ‘die via Airbnb de hele buurt kapot kwam maken.’ Grappiger, want ook schrijnend, is Alissa’s reactie: ‘Iemand die je vies aankeek omdat je hier over straat liep. Wat erg voor je.’ Vuijsje grossiert in zulke harde identiteitsgrappen, waarmee Salomons oordeel vaak De luizenmoeder naar de kroon steekt.

Soms stel je je het tv-scenario al voor bij wat Vuijsje schrijft: het tempo ligt hoog, hij rijgt zijn scènes moeiteloos aaneen, toont meer dan dat hij navertelt, krachtig en direct, hij schrijft zinnen waar niets te veel in staat, zonder opsmuk, en wekt personages tot leven door hen precies passende woorden te geven. Hij is even grappig als genuanceerd.

Wat je bent versus wat je doet – het is die tegenstelling waarover het conflict in Salomons oordeel gaat: de mate waarin je ‘gegeven identiteit’ leidend is. Dat wordt weerspiegeld in de heel verschillende houdingen van Max en Alissa. Max is woke; Alissa, nota bene een zwarte vrouw, is er niet zo mee bezig. Een racistisch incident in het Vondelpark maakt hém woest, haar niet: ‘Moet ik me druk maken over twee mannen die ik niet eens ken?’

Trauma

Zo ontvouwt zich de roman: Max gaat zich engageren en wordt steeds rechter in de leer van de antiracisme-activisten, terwijl Alissa haar schouders ophaalt. Die opzichtige tegenstelling, tegen verwachtingen en clichés in, staat niet op zichzelf. Het is precies de opeenstapeling van identiteitsingewikkeldheid die Vuijsjes roman aanhoudend prikkelend maakt. De belangrijkste personages voldoen misschien aan een paar clichés, maar zijn te veel individu om helemáál in een hokje te passen. Achter Alissa’s achteloosheid zit wellicht een onderschatting van gevaar – iets waarvan je vreest, dankzij een proloog waarin de politie opbelt naar ‘de moeder van Salomon Cohen’, dat het haar nog kan gaan opbreken. Achter Max’ engagement schuilt een trauma van er-niet-bij-horen: als wit, dus praktisch hálf immigrantenkind was hij nooit ‘down met de homies’. Wat is het: een migrantentrauma of ‘gewoon’ een kindertrauma?

Vuijsje duidt zoiets niet expliciet – waarom zou hij? Hij schrijft niet over psychologische dynamieken, maar over individuele personages, en daarin is hij hartgrondig dubbelzinnig. Dat blijkt nog het sterkst als Max zich aansluit bij een club antiracisme-activisten. Die episode lijkt eerst vooral een satirisch doel te dienen, dankzij het academische jargon dat Vuijsje vlekkeloos weergeeft: ‘En nu verwachtte hij dankbaarheid van haar? Terwijl zij hem net de tools had gegeven om zichzelf te educaten en zijn mind te decolonizen.’ Maar tegelijk laat Vuijsje ons Max niet verliezen: de ideeën die hem tot het clubje aantrekken, over machtsstructuren, solidariteit en rechtvaardigheid, zijn zo gek niet, daarin kun je een heel eind met hem mee. Pas wanneer blijkt dat de activisten geen doel voor ogen hebben en zichzelf zo onverzoenlijk serieus nemen dat ze alle zelfkritiek afwijzen, wordt loyaliteit voor Max een probleem: ‘dat ze empathie en inlevingsvermogen opeisten, terwijl ze dat omgekeerd zelf op geen enkele manier konden opbrengen’.

Vertrouwen

Aanvankelijk is Salomons oordeel vooral een satirische roman, die iedereen bespot die zich in zijn hokje verschanst. Maar gaandeweg ontwikkelt zich daaruit een ideeënroman, waarin een stap vooruit in het racismedebat onderzocht wordt – maar hoe zetten we die? Verzoening veronderstelt vertrouwen, en vertrouwen gaat niet samen met ongelijkheid, en ongelijkheid kan pas verdwijnen als de vaste posities verlaten worden. Wie uit z’n hokje treedt, moet erop kunnen vertrouwen dat hij er niet in teruggeduwd wordt, door blikken op straat en bij zijn volgende sollicitatiegesprek.

Die oplossing was al luid en duidelijk uit de Bijbelse titel op te maken: koning Salomon besloot te oordelen tegen de zin van beide partijen in, maar in het belang van het kind. Simpel, doeltreffend, en in zijn algemeenheid is dat ook niet het geniaalste aan Salomons oordeel. De roman moet het vooral hebben van de overtuigende manier waarop Vuijsje naar die verzoeningspoging toe schrijft. Een rigoureuze, maar pijnlijk geloofwaardige stroomversnelling in de plot laat de omstandigheden veranderen, waardoor de standpunten alsnog wankelen. Om samen verder te komen wordt wíe ze zijn belangrijker dan wát ze zijn – en wat ze daarmee doen. Waar identiteitsdiscussies vaak verzanden in verwijten van slachtofferschap of zelfgenoegzaam taalactivisme, brengt Vuijsje de zaak terug tot menselijke proporties. Daar, tussen mensen, kunnen de muren van hokjes neergehaald worden, toont Salomons oordeel, als er vertrouwen is. Dat is misschien wel de zinnigste bijdrage die een roman aan dit debat kan leveren.

Lees ook dit interview met Robert Vuijsje uit 2012 terug: ‘Ik merk nu dat ik er meer bij hoor’