WK sprint: niet winnen en toch de beste zijn

Schaatsen Dit weekend zijn de wereldkampioenschappen sprint in Heerenveen. De kunst: constant rijden en geen fouten maken.

Kai Verbij tijdens de WK afstanden in Inzell, eerder deze maand.
Kai Verbij tijdens de WK afstanden in Inzell, eerder deze maand. Foto Lukas Barth-Tuttas/EPA

In essentie is een sprintkampioenschap zo simpel als Letitia de Jong het laat klinken. „Je kunt het heel spannend maken, maar het gaat erom dat je zo hard mogelijk schaatst. En dat vier keer.” De nummer twee van de afgelopen NK sprint had er verder nooit zo uitgebreid over nagedacht: wat is de kunst van een goede sprintvierkamp? Ligt dat de ene schaatser beter dan de ander? Bestaan er ‘toernooisprinters’? Want de snelste sprinter van het seizoen wordt niet automatisch wereldkampioen, dit weekend in Heerenveen.

De recente geschiedenis wijst uit dat het zelden voorkomt dat schaatsers een heel WK sprint wisten te domineren. De Amerikaanse Brittany Bowe deed het in 2015, zij won toen beide 500 meters én beide 1.000 meters. In een verder verleden lukte het haar landgenote Bonnie Blair (1994) en de Duitse Franziska Schenk (1997). Drie afstanden lukte recent nog de Japanse Nao Kodaira (2017) en de Rus Pavel Koelizjnikov (2015), Jan Bos deed dat op weg naar zijn sprinttitel in 1998 ook.

Domineren is ook geen vereiste. Een wereldtitel winnen zonder ook maar op één afstand de beste te zijn, gebeurt net zo goed. Zoals bijvoorbeeld met Kai Verbij. Toen hij in 2017 wereldkampioen sprint werd in Calgary deed hij dat met een negende en een vierde plek op de 500 meters en een derde en negende plek op de 1.000 meters. Hij was niet de snelste, hij was de constantste. Zoals Michel Mulder dat was op weg naar zijn wereldtitel in 2013 – ook hij won geen afstand. Verbij vatte zijn visie op een goed sprinttoernooi in 2017 al zo samen: „Wie de minste foutjes maakt, die wint.”

Lees ook: Kai Verbij is de frustratie voorbij

Per afstand bekijken

„Ik benader de vierkamp eigenlijk nooit als vier afstanden”, zegt Verbij, donderdag tijdens een persmoment in Wolvega. Hij staat bekend als een toernooisprinter: hij werd ook twee keer Europees kampioen sprint, in 2017 en dit jaar. „Ik kijk per afstand en denk dat dat me enigszins scherp houdt. Ik leef de dag voor een toernooi naar de 500 toe. Lukt dat, dan gaat meteen de focus op de 1.000. Het lijkt misschien voor mensen alsof ik gemiddeld gezien altijd heel goed rijd, maar dit is mijn benadering.”

Het is „mentaal niet één van de makkelijkste dingen”, zegt Nederlands sprintkampioen Hein Otterspeer, maar hij bekijkt het net zoals Verbij. „Je weet pas na vier afstanden waar je staat.” Het gevaar tijdens zo’n toernooi is te veel vooruitdenken, zegt Gerard van Velde, trainer van Verbij bij de Reggeborgh-ploeg. „Denken: als ik nou... Nee, je hebt niets te denken, je hebt nog niets.”

Volgens Van Velde, die zelf tweede werd op de WK sprint in 2003, ligt een vierkamp de ene sprinter beter dan de ander. „Je hebt ze erbij die het mentaal lastig vinden drie, vier goede afstanden rijden. De een heeft een heel stabiele, robuuste techniek, de ander maakt meer missers. Dat kan een risico zijn.”

Fouten zijn dodelijk als de concurrentie groot is, zoals vooral bij de mannen nu het geval is. Verbij: „Ik had na Calgary [2017] na de eerste 500, waarop ik negende werd, de titel uit mijn hoofd gezet. Op een WK is een misslag, een foutje heel kostbaar. Maar de rest kan ook fouten maken.” Als je de beste 500 meter en 1.000 meter van Koelizjnikov, gereden in Thialf dit seizoen, achter elkaar plakt, dan valt daar niet tegenop te boksen, zegt Van Velde. „Maar hij is er ook zo eentje die zich meestal op een van de vier afstanden een beetje vergaloppeert.”

Lees ook: De schaatssport is veranderd in de breedte

Drie soorten toernooisprinters

In essentie zijn er altijd drie soorten toernooisprinters geweest. De 500-meterspecialisten proberen een gat te slaan en de schade beperkt te houden op de 1.000. De 1.000-meterspecialisten andersom. En dan zijn er allroundsprinters: goed (genoeg) op alle twee. „Maar het is lastig op beide écht de beste te zijn. Je merkt dat als je je meer op de 500 richt, je inlevert op de 1.000 – andersom ook”, zegt Verbij.

Hoewel vaak wordt gedacht dat op de 1.000 meter de verschillen worden gemaakt, denkt Verbij dat je momenteel het meeste wint op de 500. „Ik heb in het verleden daar grotere gaten op geslagen en de schade beperkt gehouden op de 1.000. Dat gaat nu waarschijnlijk ook zo zijn; de winnaar rijdt heel sterke 500 meters.”

De conclusie van Otterspeer: uiteindelijk zal de meest constante rijder, met of zonder afstandsoverwinning, winnen. Op geen afstand de beste zijn, boeit schaatsers niet, zegt Van Velde. „Dat is misschien het leukst. Maar het gaat om het kampioenschap, hoe je er komt, maakt niet uit.”

    • Frank Huiskamp