‘Nederland loopt achter met aanpak van desinformatie’

Kamerdebat nepnieuws PvdA en CDA pleiten voor nepnieuws-wetgeving. De minister wil zelfregulering een kans geven en start een publiekscampagne.

Minister Kajsa Ollongren (D66).
Minister Kajsa Ollongren (D66). Archieffoto ANP / Koen van Weel

De toon van het debat in de Tweede Kamer over de aanpak van desinformatie is veranderd. Regeringspartij CDA schaarde zich donderdag in een Kamerdebat achter een voorstel van de PvdA om digitale platforms aan strenge wetgeving te onderwerpen die oneigenlijke digitale beïnvloeding tegen moet gaan. Tot nu toe nam de Kamer genoegen met beloften over zelfregulering door internetplatforms als Facebook, Google en Twitter.

PvdA-leider Lodewijk Asscher zei in het debat dat hij „cynisch is over beloften van commerciële bedrijven bij wie het in hun businessmodel zit om geld te verdienen aan manipulatie”. Hij wil daarom wettelijk afdwingbare regels rond transparantie van politieke advertenties, een verbod op zulke advertenties uit het buitenland en onderzoek naar een strafrechtelijke aanpak van digitale beïnvloeding. Het is nog niet duidelijk of een Kamermeerderheid zijn voorstellen steunt.

Keer op keer verwezen de Kamerleden naar een alarmerend onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis, dat maandag verscheen. Daarin adviseert een parlementaire onderzoekscommissie de platforms aansprakelijk te maken voor „illegale en schadelijke berichten” die hun gebruikers plaatsen. Ook moet er volgens de commissie een verplichte ethische code komen waarop een onafhankelijke overheidsorganisatie toezicht houdt. Dat idee nam PvdA-leider Asscher donderdag deels over toen hij pleitte voor een „onafhankelijke toezichthouder met tanden” die boetes gaat opleggen als platforms zich niet de regels houden.

Het CDA sprak zich voor het eerst uit voor strenge regelgeving gericht op het beteugelen van de grote techbedrijven. „Ik krijg het gevoel dat we achter andere landen aanlopen als het gaat over desinformatie en digitale inmenging”, zei CDA-Kamerlid Harry van der Molen. „De platforms zeggen dat ze regelgeving willen, maar werken dat in de praktijk tegen.”

Omringende landen hebben al een harde aanpak van nepnieuws en haatberichten op sociale media. Duitsland loopt voorop

Omringende landen hebben al een harde aanpak van nepnieuws en haatberichten op sociale mediaplatforms. Duitsland loopt voorop met een in januari vorig jaar ingevoerde wet die de platforms verplicht strafbare haatzaaierij van hun platforms te verwijderen. De wet is omstreden: bedrijven als Facebook en Twitter verwijderen uit voorzorg ook onschuldige berichten, uit angst voor de boetes. Het Franse parlement nam vorig jaar een wet aan die het mogelijk maakt dat de rechter zich in verkiezingstijd over nepnieuws buigt. Zo kunnen verzoeken worden gedaan om nepsites te laten verwijderen of nepaccounts te blokkeren.

Lees ook: Nederlandse twitteraars dankbaar doorgeefluik voor Russische trollen

De liberale coalitiepartijen VVD en D66 willen nog afwachten of wetgeving in Nederland echt nodig is. Zij willen eerst een wetenschappelijk onderzoek afwachten naar de rol van desinformatie bij de Provinciale Statenverkiezingen en Europese parlementsverkiezingen. D66-woordvoerder Kees Verhoeven vindt digitale beïnvloeding „een nijpend probleem”, maar wil niet „overhaast handelen”. „Wetgeving op dit vlak leidt snel tot een vorm van censuur, dat is een reëel risico.”

Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) zei dat het probleem van desinformatie „steeds prangender” wordt, maar wil eerst zelfregulering door de techbedrijven nog een kans geven. Die hebben volgens haar wel al stappen gezet. Zo gaat Facebook eind volgende maand duidelijker tonen wie de afzenders zijn van politieke advertenties.

Ollongren kondigde in het debat aan dat ongeveer een week voor de Provinciale Statenverkiezingen een publiekscampagne over het gevaar van desinformatie van start gaat. De campagne moet burgers „bewust maken van het fenomeen desinformatie”, maar de minister wil „wegblijven van de inhoud en concrete voorbeelden uit de media”. De campagne, die online en op de radio gevoerd zal worden loopt door tot en met de Europese verkiezingen in mei.