Opinie

Mijn plek

Georgina Verbaan

Mijn plek in een vliegtuig is naast een vrouw met grote voortanden en een grijze paardenstaart. Ze ziet er vriendelijk uit, als een goedgemutste ezel die ineens een sprintje in zou kunnen zetten, voor de lol. Als ik zit wendt ze zich met een onhoorbare zucht tot de stapel papieren die ze op haar schoot heeft liggen. Zo hier en daar lees ik het woord ‘agriculture’. Arme vrouw. Maar ja, mensen die ‘agriculture’ lezen voor hun werk moeten er ook zijn.

Er wordt druk geboard. Nu moet de vrouw ook woorden op haar telefoon lezen. Ik hoop niet weer ‘agriculture’, maar iets met ‘liefs en kussen’ of ‘Vanavond vouw ik jou in het washok over de droger heen. Balkend.’, maar ondanks het feit dat ze de telefoon van zich af moet houden kan ik het net niet zien. Jammer.

Ondertussen houd ik in de gaten of er niemand aan de overkant van het gangpad gaat zitten. Daar zijn twee plekken vrij en als dat zo blijft zal ik doorschuiven. Heerlijk. Na het opstijgen in rust en ruimte sterven, mochten we naar beneden donderen. Bovendien draagt de vrouw een parfum dat ik niet zou willen ruiken als mijn laatste uur geslagen is.

Een bekende Nederlander waarvan de naam en functie mij ontschoten zijn komt het vliegtuig in. Ik duik ineen en kijk naar mijn knieën. Waarom weet ik niet. Het boarden is klaar. De plekken aan de overkant zijn vrij, dus ik verzamel al mijn rommel en haast me langs de vrouw en neem er plaats: recht in de laserstraalogen van de man achter mij, die misselijkmakend aanwezig blijkt te zijn! Ik krijg direct het gevoel dat hij mij bespiedt – zoals ik de mevrouw bespiedde – omdat hij tussen de stoelen door zicht op mij heeft. Ook hoor ik hem ademen en maakt hij met zijn keel om de paar seconden een geluid van ‘hmmmg hmmg’. Zo wil ik óók niet dood.

Mijn plek was eigenlijk prima, als de mevrouw met de paardenstaart nou gewoon hier gaat zitten. Dat zou perfect zijn. Hoe krijg ik dat voor elkaar? Ze is vast blij dat ze van mijn overspannen aura en spionagepraktijken verlost is, dus ze zal teleurgesteld zijn als ik terugkom. Ja, perfect.

Ik hoor hem ademen. Hij maakt geluid: ‘hmmmg’. Zo wil ik óók niet dood

Ik sta op en wurm me verontschuldigend langs de vrouw met al mijn spullen. Ik emmer extra met mijn rugzak om aan te geven hoe weinig ruimte er is, zo naast elkaar. Wat geniepig van mij. „Sorry”, zeg ik. „Spreekt u Nederlands?” De vrouw schudt van nee. Heel vanzelf komt er een excuus tot mij, merk ik. Ik zeg in het Engels „Ik durf toch niet op een andere plek te gaan zitten dan de plek die me toegewezen is. Ik ben bang dat er anders iets misgaat.”

Ik kijk bang. Mijn excuus is zo overtuigend, dat ik het eigenlijk meteen geloof. Zoiets zou ik écht kunnen denken. Sterker nog: ik dénk het al! „Ik wissel zo vaak van plek”, zegt de vrouw geruststellend „en er gebeurt nooit iets.” Oké, fijn, denk ik. Sta dan op. Wissel van plek! Maar dat gaat de vrouw niet doen. Nee. Zij gaat me door deze vlucht heen helpen, merk ik, omdat ze een goed mens is.

Dit is voorlopig de laatste column van Georgina Verbaan. Ze gaat een boek schrijven.