Recensie

Recensie

Me, myself & I, met dank aan de selfie

Het ik-tijdperk Zijn we allemaal veranderd in egocentrische, selfie-schietende narcisten? Een diepe duik in geschiedenis geeft een minder goed antwoord dan een essay in zeven korte hoofdstukken.

Een bezoeker van het Antalya museum in Turkije neemt een selfie voor een standbeeld van Asclepius. Dat doet ze niet zomaar: het museum organiseerde speciaal een 'selfiedag'.
Een bezoeker van het Antalya museum in Turkije neemt een selfie voor een standbeeld van Asclepius. Dat doet ze niet zomaar: het museum organiseerde speciaal een 'selfiedag'. Foto Mustafa Ciftci/Anadolu Agency

Je vraagt je af of niemand – auteur, uitgever, vertaler – de ironie is opgevallen, bij de opmerking die voorin het boek van Will Storr is opgenomen. In Selfie zal de schrijver veelvuldig ingaan op ‘verschillen tussen groepen mensen’, bijvoorbeeld tussen generaties of culturen. Maar, benadrukt Storr, in de werkelijke wereld is er natuurlijk ‘een enorme variëteit tussen mensen onderling’, waaraan geen enkele generalisatie recht kan doen.

Je ziet: ook Storr ontkomt niet aan het verschijnsel dat hij probeert te ontleden. In Selfie onderzoekt Storr, journalist bij onder meer The Guardian en romancier, de opkomst van het individualisme en de vraag hoe we in de Westerse wereld zo bezeten konden raken van het ‘ik’. Zijn zoektocht start in de oertijd, en voert via Aristoteles, Thomas van Aquino en Sigmund Freud naar de tweede helft van de twintigste eeuw, wanneer het ego volgens hem de wind pas echt in de zeilen krijgt. De zevenmijlslaarzen van Storr slaan nog wel eens wat over: Jean-Jacques Rousseau, die over ‘het zelf’ toch ook wel wat te melden had, ontbreekt.

Storrs thema is niet echt onontgonnen: je zou een dikke bibliografie kunnen schrijven over kronieken van ‘het zelf’. Toch voegt Storr iets toe, als hij zich na wat obligate hoofdstukken over de pre-moderne tijd concentreert op een specifieke tijd en plaats: het Californië van na 1950. Daar plaatst hij de kiem voor een ontwikkeling die de periode tot op heden domineert.

Onder invloed van nieuwe denkers, Carl Rogers en Ayn Rand voorop, ontstond daar het geloof dat de oplossing van psychische én maatschappelijke problemen in ‘het ik’ zou liggen. Als mensen zich maar zouden richten op hun authentieke zelf, meer van zichzelf zouden houden, meer voor zichzelf zouden opkomen, dan zou ook de samenleving daar uiteindelijk van profiteren.

Storrs boek verandert haast in een whodunnit als hij minutieus probeert te reconstrueren hoe dat geloof zich als een olievlek verspreidde over de VS, en daarna de rest van de wereld. De crime scene is volgens hem een door een lokale politicus gemanipuleerde wetenschappelijke studie naar de effecten van het stimuleren van zelfvertrouwen. Onzin natuurlijk, of in elk geval schromelijk overdreven, maar Storr beschrijft het smakelijk.

Neoliberalisme

Relevanter is Storrs analyse van de invloed van economische en politieke ontwikkelingen. De inflatie van het woord is ergerlijk, maar juist als het om ‘het ik’ gaat kun je niet heen om de zegetocht van het neoliberalisme, de ideologie waarin het individu zich voortdurend in competitie met anderen moet bewijzen. Vooral in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk werd dat expliciet politiek beleid: het vervangen van het collectieve uitgangspunt door het individuele – het uitkleden van de verzorgingsstaat, het breken van de vakbonden. ‘De economie is onze methode’, citeert Storr Margaret Thatcher. ‘Maar het doel is het veranderen van de harten en zielen.’

Zijn we daarmee nu allemaal veranderd in egocentrische, selfie-schietende narcisten? Storr besteedt uitgebreid aandacht aan beruchte studies van de psychologen Jean Twenge en William Campbell waaruit zou blijken dat de nieuwe generatie inderdaad veel narcistischer is. Ook beschrijft hij uitvoerig de generatie van door social media geobsedeerde jongeren, louter bezig met het perfectioneren van hun online-profiel.

Daarmee sluit Storr zich aan bij het koor van cultuurcritici die in selfies een soort verheerlijking zien van ‘het ik’ en een epidemie van narcisme. Dat is vreemd, omdat hij net de eeuwenlange geschiedenis van de fixatie op het zelf heeft beschreven. Maar dat pathologiseren van de moderne mens als hyper-narcistisch is sowieso problematisch, omdat het zo makkelijk een verwijt wordt om anderen te veroordelen. Dan wordt een zoektocht naar het ik een zelfgenoegzame jij-bak.

Lees ook: Het is te makkelijk om de selfie weg te zetten als narcisme

Verhoudingen

Over die laatste kwestie publiceerde de Amerikaanse essayist Kristin Dombek, lange tijd werkzaam bij het literair-geëngageerde tijdschrift n+1, The Selfishness of Others. In zeven korte hoofdstukken, met titels als ‘The bad boyfriend’ en ‘The Millennial’, ontleedt Dombek daarin de prototypen die tegenwoordig de diagnose ‘narcist’ krijgen opgeplakt. Dat pathologiseren beïnvloedt volgens haar hoe we naar onze relaties kijken, maar ook verhoudingen in de samenleving, tussen elkaar de maat nemende groepen en generaties.

Dombeks stelling geldt met name voor de Verenigde Staten en haar essays zijn soms wat omslachtig, maar haar punt is sterk: de inflatie van het stempel ‘narcist’ duidt niet zozeer op een epidemie, maar zegt vooral iets over ons ongemak in een hypercompetitieve wereld waarin iedereen een merk moet zijn. Pseudo-psychologie en pathologie komen op die manier in de plaats van serieuzere systeemkritiek en moraal. ‘Elke realityshow biedt een kans om te kijken hoe […] narcistisch anderen zich gedragen onder zware druk, te concurreren en zich te doen gelden, in situaties die maar een beetje surreëler zijn dan die waarin we onszelf bevinden’, schrijft Dombek.

Dat is uiteindelijk een interessantere visie op ‘het moderne zelf’ dan die van Storr. Ook omdat de nadrukkelijke hoofdrol die de schrijver zelf opeist (Storr in het klooster, Storr in een yurt in Californië) in zijn boek onbenoemd blijft. Dombek voegt daarentegen wel een tweede laag toe. ‘Ik ben essayist, ik doe niks anders dan het woord „ik” opschrijven en dat maakt me nerveus’, schrijft ze. ‘Het laatste wat ik wil is dat jullie denken dat ik egocentrisch ben’.

Vervolgens beschrijft Dombek een panel waarin een literatuurcriticus de opkomst van het ik in de literatuur als narcistisch veroordeelt, omdat de ‘derde persoon in de tekst minder egoïstisch is en meer echt.’ Terwijl Dombek de aanwezige vrouwelijke schrijvers zich vervolgens hoort uitputten in ‘iks’, zegt de (mannelijke) criticus ‘nooit dit vind ik’ maar uitsluitend ‘dit is waar’ en ‘dit is hoe het is.’

Ook de conclusie die Dombek trekt is prikkelender. Misschien moeten we niet bang zijn voor het egoïsme van anderen, besluit ze, maar het zien als een geschenk, als een voortdurende confrontatie met onze eigen onbeduidendheid. ‘De zelfzucht van anderen onthult onze eigen afhankelijkheid, als hun blik weer wegdraait en […] je je realiseert dat het nooit om jou ging.’