Een warm pleidooi: ga toch lopen

Wandelen Alle zintuigen worden geprikkeld, de geest wordt stil en je ontdekt de wereld om je heen. Een ode aan het wandelen.

Foto Thomas Nondh Jansen

Het is stil op de tiendweg. Althans, zo stil als de natuur wil zijn. Bij iedere stap die ik op het veendijkje zet, volgt het gekwetter van mezen die van knotwilg naar knotwilg fladderen. Van meerkoeten en eenden die snaterend uit het riet tevoorschijn komen en de weteringen langs de polders inschieten.

Ik hoor mijn hart, mijn adem. Op dat ritme zet ik mijn stappen.

De afgelopen 2,5 jaar liep ik zo ruim 3.500 kilometer door Nederland. Ik liep van Delfzijl naar Goirle, van Losser naar Den Haag, van Bergen op Zoom naar Amsterdam. Ik liep door de duinen, de polders, de bossen. Door coulisselandschap en over akkers, over de hei en de krijtheuvels in het zuiden. En de vraag die me het meest werd gesteld: „Is dat om te trainen voor de Vierdaagse?”

Nee. Ik loop om het lopen. Ik wandel om te zijn.

Om de ledematen die doordeweeks in dezelfde houding achter de computer zitten, te laten doen waarvoor ze zijn. Om de wind te voelen in mijn gezicht. De regen, de zon en de kou op mijn wangen.

Al wandelend worden alle zintuigen geprikkeld. Ik zie de veranderingen van de seizoenen. Ik ruik ze: van het fluitenkruid dat straks weer gaat bloeien en de meidoorn. Van het plotselinge parfum van seringen tot het drogende gras aan het einde van de zomer en de vochtige geur van herfstbladeren.

Eeuwenlang heeft de mens er alles aan gedaan om niet te hoeven lopen. Een paard bleek sneller om van A naar B te komen, een koets, een fiets, een auto, een vliegtuig. Wandelen om te ontspannen was een bezigheid die was voorbehouden aan diegenen die van zulke goede komaf waren dat ze hun tijd konden verlummelen. En later aan diegenen die zich in hun vrije tijd niets beters konden veroorloven.

In Nederland fietsland wordt de wandelaar nog altijd ietwat meewarig aangekeken. Door fietsers die met hun elektrische motortje voorbij zoeven. Door wielrenners die over de smalle dijk een zondagsrecord willen vestigen. Door mountainbikers die over een bospad crossen. Verstoord remmen ze voor me af, geen rekening houdend met een trage gebruiker.

Wandelen is geen bezigheid voor snelheidsduivels. Wandelen, zo omschrijft Van Dale, is „in een rustig tempo lopen om je te ontspannen”. Een langzamere manier om ons voort te bewegen, is er niet. Afstanden veranderen: een kilometer is te overzien, veertig kilometer is opeens een hele dag. Wandelen kan alleen zonder haast.

Ik wil niet weten wat er achter de bomen ligt, achter die heuvelrug

Zoals de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau in zijn beroemde lezing Walking (1851) zei: „Het wandelen waar ik het over heb, heeft niets gemeen met lichamelijke oefeningen, zoals zieken hun medicijn op gezette tijden innemen of het zwaaien met gewichten – het is de onderneming zelf en het is het avontuur van de dag.”

Thoreau, die iedere dag minstens vier uur liep, vond in de ongerepte natuur een ongekende vrijheid. „Tijdens mijn middagwandeling, vergeet ik al mijn bezigheden van die ochtend en mijn verplichtingen”, schreef hij.

Lees ook een interview met Frédéric Gros uit 2013: ‘Ik wandel dus ik ben’

Dat vind ik het mooie van wandelen – zeker bij lang wandelen, waarbij je benen zich op een gegeven moment automatisch lijken voort te bewegen en je vergeet hoeveel uren voorbij zijn gegaan. De geest wordt stil. De enige conversatie die hij nog heeft, schrijft filosoof Frédéric Gros in zijn Marcher, une philosophie (2009), is met het lichaam. Een dialoog tussen dat pijntje in de kuit en de wil om door te zetten.

Alsof mijn lichaam het kind is dat zeurt: „Hoe ver nog?” En de geest de volwassene die aanmoedigt: „Kom op, je kan het!”

Die lege geest biedt ruimte voor gedachten die de vrije loop mogen gaan, en dat leidt weer tot creativiteit. Sommige van de grootste schrijvers – Jean-Jacques Rousseau, Charles Dickens, dichter William Wordsworth – kwamen tijdens wandelingen op ideeën. Terwijl het aardse verdwijnt: voor piekeren over het boodschappenlijstje, de to-dolijst, deadlines die gehaald moeten worden, is juist geen ruimte.

Daarom is wandelen in de stad ook zo anders. Daar wordt je pas onderbroken door stoplichten, door anderen, door die winkel waar je langskomt en waardoor je denkt aan de was die nog gedaan moet worden. In de stad is alles een prikkel, de stad houdt meanderende gedachten tegen.

Dat is ook waarom alleen lopen en samen een andere dynamiek heeft. Alleen beweeg je op je eigen ritme – van pas en gedachten. Met een ander voel je de noodzaak tóch een opmerking te maken, al is het alleen maar over de route of die mooie boom.

En nee, alleen wandelen is niet eng. Dat is de tweede vraag die me meestal wordt gesteld. Omdat je – uitgezonderd rondom een pannenkoekenboerderij en op lentezondagen – zo weinig anderen tegenkomt op het wandelpad. Ook niet in Nederland, waar volgens de laatste telling 10 miljoen mensen „wel eens” wandelen. Een goede voorbereiding (telefoon, kaart, EHBO-setje) helpt eventuele gevaren te beperken.

Het feit dat je alleen bent, bevordert bovendien contact met de vreemden die je wel tegenkomt. In Averlo kreeg ik koffie van de organisatie van het dorpsfeest, in Beesd van een jeu-de-boulesteam, in Egmond sprak ik een monnik met een winkelwagen vol M&M’s. Ik word aangesproken door boeren, boswachters en hondenuitlaters. Wie denkt dat Nederland in de vorige eeuw zijn hartelijkheid verloor, moet een wandeling maken.

En ik ontdek. Zo blijkt Nederland groener dan ik dacht. Ongestoord loop je door uiterwaarden, bossen en duinen, over landgoederen en weilanden. Ongestoord, maar wel „op wegen en paden, tussen zonsopgang en -ondergang”, zoals iedere wandelaar weet die regelmatig de bordjes van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten tegenkomt.

Dat is om dat groen te behouden, dat begrijp ik. Te midden van steden en landbouw wil iedereen in dezelfde natuur ontspannen. Maar iets knaagt: wij willen kennelijk wel de natuur in, maar niet verdwalen. Een wandelpad is steeds vaker niet louter een pad. Er zijn blauwe paaltjesroutes, rode, gele – in het bos wordt alles langzaam een speurtocht. En overal rukt het wandelknooppunt op.

Ik betreur het verlies van avontuur in de natuur. Verdwalen is in Nederland praktisch uitgesloten door al die paaltjes. Zoals Frank Westerman schrijft in In het land van de ja-knikkers (2017). „We willen wel dolen, maar niet verdwalen. Toeren, maar op gezette tijden ook uitspannen – met koffie en appelgebak. Vandaar: de fietspaddenstoel. Overal waar twee schelpenpaadjes elkaar kruisen, schieten ze op uit de humus.” Lees voor de fietspaddenstoel het wandelknooppunt.

Want wat is er mooier dan als wandelaar verrast te worden? Ik wil niet weten wat er achter de bomen ligt, achter die heuvelrug. Ik zie de kerktoren of molen aan de horizon, aan het einde van de tiendweg, maar hoef niet per se te weten hoe veel kilometer ik nog moet lopen.

Als ik er ben, volgt de voldoening. Een wandelaar kijkt altijd even terug: op de top van de heuvel, aan het einde van de weg, aan het einde van de dag als de schoenen uitgaan. Ik wandel, dus ik leef.