Een stadswandeling maken zonder toeristisch over te komen

In de stad Stadswandelingen leiden af van het wandelen, vindt . Ze maakt zelf een pad, door Maastricht.

Illustratie Tjarko van der Pol

Als ik wandel, wandel ik. Dat spreekt vanzelf, maar niet in een stad. Stadswandelingen zijn moeilijk voor de wandellustige. Ze zijn routes touristiques, ze doen in bezienswaardigheden. Nou ben ik een pathologisch bezichtiger van kerken, musea en geboortehuizen van beroemde dode stadsbewoners. Maar ik wil wandelen en dat is iets anders. Vandaar dat man en ik onze eigen methode van de stadswandeling hanteren. De strategie is simpel en past in elke stad: kies een punt van vertrek, wandel van daaruit 10 à 15 kilometer rechtdoor en kijk wat er gebeurt. Onderga de stad als landschap. Sightseeën is de bedoeling niet, slenteren kan morgen weer. Vandaag wordt er gewandeld en niets uit de weg gegaan.

Op deze manier marcheerde ik in Parijs de Champs-Élysées uit (en zong Joe Dassins ‘Aux Champs- Elysees’: Je m’baladais sur l’avenue/ le coeur ouvert/ á l’inconnu…). In New York volgde ik Broadway tot in Harlem, in Los Angeles deed ik bij het ochtendgloren Sunset Boulevard. In Napels belandde ik in een volksbuurt met gevel-altaartjes voor Maria, Maradona en de Napolitaanse komiek Totó. Ik deed nóg een keer Parijs, in een decembermaand. Nu volgde ik de Seine en zag onder de bruggen de versierde kerstbomen van de clochards. In Rome liep ik de Via Appia af, tot aan de doornstruiken waar prostitués op van die witte plastic stoelen op klanten wachten. In Bologna bestaat rechtuit niet, daar werd de route een spiraalwandeling en ontpopte de stad van de galerijen zich als een vossenburcht.

En nu stap ik in Limburg uit de bus bij grenspaal 49. Hij staat scheef in het struikgewas dat zich vastklauwt in de witte mergel. Hier begint de stad, wees de chauffeur.

Illustratie Tjarko van der Pol

Er schijnt een natte zon. Rechts van me draagt de Maas langgerekte vrachtschepen. Aalscholvers zeilen op de wind, ze tikken met hun vleugels de golfjes aan. Ik hoor koolmeesjes en kraaien. De bomen aan de overkant van het water hebben al iets groens.

Maastricht, zegt een bord. De stad ontstaat uit het stofnest van een cementfabriek, met gebouwen in de vreemdste vormen en veel gebroken ruiten.

Als de fabriek achter de rug is, zijn er huizen. Eén rij dik, erachter glooit rots of open land. Er zijn sierlijke 19de-eeuwse buitenverblijven bij. Een halfblote meneer in pyjamabroek komt zijn veranda op – en schiet weer naar binnen, omdat hij mij ziet. Of omdat hij het koud heeft. Of allebei.

Na een bocht van de rivier splitst het huizenlint zich uit in straten. En dan, achter een viaduct en een parkje, presenteert Maastricht een stadsmuur – twee hoodies staan erop, ze keren hun gezichten naar de zon en delen een joint. Op de ‘Waerachtigpoort’ in Efteling-stijl volgt de oprecht middeleeuwse Helpoort en wie daaronderdoor gaat wordt door een klinkerstraat tussen witgekalkte gevels geleid naar de enorme Onze Lieve Vrouwe-basiliek. Ze koestert haar indrukwekkende lendenen in het licht.

„We gaan nergens naar binnen, hè”, zegt man verlangend.

„Nee”, zeg ik. (Ik moet streng zijn).

Nu barst er een enorm plein open

We ploegen door smalle straten langs explosies van kleur in de ene verrukkelijke etalage na de andere. Nu barst er een enorm plein open. Het ruikt naar gebakken vis. Op de stoep voor een vierkant 17de-eeuws stadhuis zitten twee meiden achter zelfgemaakte protestborden klimaat te spijbelen. Ze zijn achtstegroepers, vertellen ze. En ze spijbelen niet, „we staken”.

„Deed er nog iemand naar tegen jullie?”

„Eigenlijk alleen de politie. Die zeiden: jullie zijn te jong. We moesten weg, maar we zijn gewoon blijven zitten.”

Geweldige grieten.

Rechtuitlopen betekent nu het centrum uit en even zoeken in het zand, want er wordt aan een grote weg gebouwd. Ha, daar is een pad. Het gaat over het water onder de weg door een buitenbuurtje in. Daar is een gietijzeren sluis en er loopt een jaagpad langs woonarken met kade-tuintjes, versierde loopplanken en afgedankte werktuigen. Hoe nu verder? Ha, een trap. Bovenaan ligt een stille autoweg.

De wind steekt op, de zon spreidt vals licht. In de asgrijze hemel staat een regenboog. We wandelen verder, recht zo die gaat, tot de grens met België. In de Maas wordt geroeid. De twee zwanen die er ook zwemmen, lijken net zo groot als dat bootje.

Correctie (27-2-2019): Eerder was sprake van het 19de-eeuwse stadhuis van Maastricht. Dat is 17de-eeuws. Hierboven is dat aangepast.