Recensie

Recensie Boeken

Egocentrische wensen en driften

Kristen Roupenian De herkenbaarheid van ‘Cat People’, het verhaal dat viraal ging, is ver te zoeken in de rest van haar bundel.

Een fictieverhaal dat viral gaat, dat gebeurt niet zo vaak. Amerikaanse uitgevers waren er dan ook als de kippen bij debutante Kristen Roupenian een boekcontract aan te bieden nadat haar korte verhaal ‘Cat Person’, gepubliceerd in The New Yorker, miljoenen keren was aangeklikt. Het resulteerde in haar verhalenbundel Je weet dat je dit wil waarin ook ‘Cat Person’ (hier: ‘Kattenmens’) is opgenomen. Voor fans van het hitverhaal kan de bundel even schrikken zijn: ‘Kattenmens’ blijkt een Fremdkörper.

Voor wie het in 2017 miste: het verhaal gaat over de twintigjarige Margot die een afspraak heeft met een dertiger. Al vrij snel merkt ze dat de chemie ontbreekt, maar ze zet door en gaat toch maar met hem naar bed, omdat ze de man niet wil beledigen.

Dat het verhaal zo driftig werd rondgestuurd komt vooral door de discussies die het teweegbracht. ‘Zo herkenbaar!’ twitterden vrouwen. ‘Grotesk. Absurd. Beledigend ook’, zeiden mannen. De #MeToo-beweging stond in de kinderschoenen, er bleken meer onuitgesproken misverstanden tussen mannen en vrouwen te bestaan dan men had vermoed en ‘Kattenmens’ legde zo’n misverstand bloot.

De toegankelijke, onopgesmukte taal van ‘Kattenmens’ is terug te zien in de andere verhalen. Maar dat is dan ook de enige overeenkomst. Qua genre zwiept de bundel alle kanten op: sprookje, horror, magisch realisme, thriller. De prozaïsche herkenbaarheid waar ‘Cat Person’ zijn populariteit aan te danken had, is in de meeste andere verhalen ver te zoeken.

Gewelddadige seks

In een interview met Fiction Writers Review vertelde Roupenian dat ze de bundel wilde openen ‘with a bang’ – dat is gelukt. In het openingsverhaal beleeft een koppel er plezier aan een gezamenlijke vriend seksueel te domineren, tot dat nogal uit de klauwen loopt. Het is een choquerend verhaal (eerlijk gezegd overwoog ik toen al de bundel dicht te slaan), en zo volgen er nog meer. We lezen over een vrouw die een in haar kelder gevangen man martelt, een communicatie-medewerkster die graag pezen van haar collega’s doorbijt, een man die alleen opgewonden raakt als hij tijdens de seks fantaseert dat zijn penis een mes is, een gewelddadige Tinderdate, pedofilie – vrijwel elk taboe komt langs. Maar waartoe?

‘Ik ben in het dagelijks leven obsessief bezig met goed doen’, zei Roupenian in een interview met de Volkskrant. Ze voelt voortdurend ‘de plicht om goed te zijn, of misschien beter: goed te lijken, mijn beste gezicht op te zetten.’ Om dat woordje ‘lijken’ is het haar te doen; ze verafschuwt de onoprechtheid van al dat goede gedrag. Ter compensatie berooft ze haar personages van alle inschikkelijkheid. Het is daarbij alsof de schrijfster zichzelf probeert te choqueren; alsof ze door al die bandeloosheid te beschrijven door haar eigen masker van beschaafdheid heen probeert te breken.

Roupenian gunt Ted, de man die zijn penis voor een mes houdt, een van de in de bundel zeldzame momentjes van zelfreflectie. Volgens hem bestaat zijn karakter uit drie lagen: ‘Onder de goede Ted schuilt een slechte Ted, maar daaronder zit weer een oprecht goede Ted.’

Je zou kunnen betogen dat, om bij die derde Ted, die ‘oprecht goede Ted’ te geraken, allereerst die eerste laag, die van de zogenaamde beschaafdheid, moet worden afgestroopt. In dat geval is het verdragen van die tweede laag, die ‘slechte Ted’ met al zijn immorele, egocentrische wensen en driften, de enige mogelijke route richting ongeveinsde deugd. Dat zou een mooi gegeven zijn! Zo’n streven zou al die lelijkheid die Roupenian over haar lezers heen stort rechtvaardigen. Helaas krijgt de lezer die derde laag, die ‘oprecht goede’, in Je weet dat je dit wil geen moment te zien. Zo verhaalt de bundel – met uitzondering van ‘Kattenmens’ – uiteindelijk alleen maar over een bonte verzameling karikaturale, gewetenloze freaks. Het valt te hopen dat geen lezer zich in hen herkent.