Dwangarbeid

Minister Dekker: alsnog erkenning voor meisjes van de Goede Herder

De meisjes van de Goede Herder hebben recht op erkenning en genoegdoening. Tegelijk moeten alle feiten over hun decennialange dwangarbeid door deze katholieke congregatie op tafel komen. Dat zei minister Dekker (Rechtsbescherming, VVD) woensdag in een overleg met de Tweede Kamer. Dekker, die eerder niet met de slachtoffers wilde spreken en zei dat de kwestie al onderzocht was, lijkt nu toch overtuigd van de noodzaak om de nog levende slachtoffers van de zusters te helpen. Daarbij wil hij ook de rol van de overheid erkennen. Die leverde de meisjes af bij de zusters.

Dekkers draai lijkt te zijn ingegeven door de scherpe analyse die professor Jan van Dijk, hoogleraar victimologie aan Tilburg University, deze week maakte. Hij concludeert dat de katholieke nonnen zich schuldig hebben gemaakt aan jeugddwangarbeid en mensenhandel door minderjarige meisjes systematisch op te sluiten en uit te buiten. De Nederlandse overheid is volgens hem medeverantwoordelijk voor omdat die bekend was met de praktijken en ze toestond.

Tussen 1860 en 1978 verrichtten zeker 15.000 meisjes en vrouwen in Nederland dwangarbeid in wasserijen en naaiateliers van de zusters in Tilburg, Zoeterwoude, Almelo en Velp. Dat bleek vorig jaar uit onderzoek van NRC. De zusters kwamen begin deze eeuw in Ierland in opspraak wegens uitbuiting van meisjes. De Ierse regering liet onderzoek doen, erkende schuld en betaalde compensatie. In Nederland weigerde de minister dit tot nu toe.

Een apart onderzoek naar wat er gebeurd is in de gestichten van de Goede Herder wijst Dekker nu niet langer af. Hij wilde wél nog de uitkomst afwachten van het lopende onderzoek van de Commissie-De Winter naar geweld in de jeugdzorg. Daarin zou ook naar de situatie in de Goede Herder gekeken worden. Dekker beloofde de commissie alvast op korte termijn naar de bevindingen te vragen.