Recensie

De kantoorklerk die langzaam dier wordt

M.M. Schoenmakers Met zijn roman over de kantoormens Speksneijder voegt Schoenmakers een nieuw en wijs hoofdstuk toe aan het klerkencorpus.

Tekening Paul van der Steen

Tv-makers weten meestal niet veel meer met de kantoormens te doen dan hem uitlachen. Jos, Edgar en Storm in Jiskefets Debiteuren Crediteuren, Toren C, The Office, keer op keer wordt de kantoorvloer op het scherm als een soort vlakkevloertheater gepresenteerd, vol met sullige, cabareteske types die zojuist met een mapje onder de arm van de tramhalte zijn komen aansloffen.

Nee, voor de waarlijke, humane omgang met wat misschien wel de populairste bestemming in onze werkende maatschappij is, moeten we terugvallen op de literatuur. Sterker nog: de kantoorklerk is het gedroomde literaire personage, tragikomisch vanwege zijn weinig heroïsche werk, maar stiekem ook behept met een oceanische binnenwereld, vol van heimelijke verlangens of onvervulde wensen. Neem Melvilles Bartleby (enkele jaren terug in deze krant nog getypeerd als ‘de klerk die stilvalt’) of Reves Frits van Egters, die, nadat hij tijdens een schoolreünie de vraag krijgt voorgelegd waar zijn kantoorwerk nou precies uit bestaat, antwoordt: ‘Ik neem kaarten uit een bak. Als ik die er uit genomen heb, dan zet ik ze er weer in. Zo is het.’ Of Bernardo Soares van Fernando Pessoa. En dan is er natuurlijk nog Maarten Koning, hét klassieke personage binnen het klerkenbestand, de man die na dertig jaar trouwe dienst bij een taalinstituut dan toch eindelijk zijn ware bestemming vond in Het Bureau, de zeven-delige romancyclus van J.J. Voskuil.

M.M. Schoenmakers (1949) heeft met zijn nieuwe roman een sterk en intrigerend hoofdstuk toegevoegd aan het klerkencorpus. Zijn Gilles Speksneijder komt in de knel als hij op een dag de taak in de maag gesplitst krijgt om de verhuizing van het bedrijf waar hij voor werkt in goede banen te leiden. Alles wat nu nog op plek A staat, moet, met de toevoeging van wat nieuw meubilair en kamerplanten, naar plek B. Dat moet te doen zijn, zou je denken, maar Speksneijder is niet opgewassen tegen zijn taak. Hij weet niet welke bedrijven hij moet benaderen voor hulp, hij weet niet waar hij zijn afwegingen op moet baseren, hij weet niet wat zijn meerderen eigenlijk tegen hem zeggen als ze het woord tot hem richten.

Wat nu, kleine man?

Op elke pagina is wel iets citabels te vinden dat Speksneijders glijvlucht illustreert

Speksneijder weet het niet meer, maar zijn schepper gedijt grandioos in zulke omstandigheden. Typisch Schoenmakers-achtige omstandigheden, mogen we wel zeggen, want ook in het mooie, schrijnende De wolkenridder (2015) ving hij het leven van een man die op zijn werk in de verdrukking kwam. En in diens relatie, wat nu ook weer het geval is. Mevrouw Speksneijder heet Madelief en valt nog het best te typeren als een rups die nooit een vlinder is geworden. Ze woelt onophoudelijk in haar verleden in plaats van plannen te maken voor de toekomst. Schoenmakers weet zo’n riskante tendens, die alleen maar tot melancholie en ontevredenheid kan leiden, in een prachtig hoofdstuk te vangen. Dolend langs een spoorlijn, waar ze als kind vaak speelde, wordt ze door een spoorwegbeambte aangezien voor een potentiële zelfmoordenaar, die haar verontrust aanspreekt. Ze moet daar niet zijn, zoveel is duidelijk, wat ze er ook zoeken mag.

In dit soort dramatische verdubbelingen blinkt Schoenmakers uit. En in prachtige zinnen, want op elke pagina is wel iets citabels te vinden dat Speksneijders glijvlucht illustreert. Of die van iemand anders, want bij Schoenmakers verliezen velen en bestaat de rest uit botteriken met een bord voor de kop.

Zwaar van insecten

Uit het reservoir van verliezers komt ook Melanie, een zwervend meisje dat door Gilles en Madelief in huis wordt genomen. Ze heeft de eerste jaren van haar leven in een somber huis doorgebracht - ondanks pogingen om er iets vrolijkers van te maken. ‘Altijd als ze aan haar vader dacht, begon Melanie, zag ze een man die vocht tegen zijn huis, dat klein en laag tussen de moerassige velden lag te vergaan. De aanbouw die na jaren sparen aan de zijkant van het huis verrees, had dezelfde benauwend kleine ramen en veranderde dus niet veel. Er kwam ook een wc. Maar de lijmslingers in de keuken en boven de eettafel bleven en werden elke zomer weer zwaar van de insecten en de plafonds zakten na elke groeispurt verder omlaag en de erfbomen hielden het licht alsmaar verder weg.’

Uiteraard vluchtte de jonge Melanie, maar wel een stuk origineler dan in de meeste andere verhalen over zo’n onderwerp: ‘Ze nam de wijk en nu voorgoed, en terwijl ze het troosteloos verlaten pad naar de grote weg afliep, voelde ze de verplichting om gelukkig te worden beetje bij beetje van haar schouders glijden.’ Dat meisje rent niet hoopvol weg als in een liedje van Bruce Springsteen, het is andersom, ze voelt eindelijk de druk wegvallen van die vader die wanhopig probeert het leven te verbeteren. Je hart staat stil bij zulke passages, die wijs zijn en in-triest.

Rest de vraag wat Speksneijder voor Schoenmakers ‘is’. Dat het geen verkapt autobiografisch verweerschrift is zoals Het Bureau dat bijvoorbeeld wel was, valt misschien al wel af te lezen aan het feit dat hij zijn held consequent ‘Speksneijder’ noemt. Dat is koeler, zakelijker, verder van de borst verwijderd dan het ‘Maarten’ van Voskuil.

Deze roman is sneu en je krijgt onherroepelijk medelijden met Gilles, maar let op, helemáál sympathiek is deze loser ook niet. Zijn ervaringen zijn kleinerend, maar dat heeft hij ook aan zichzelf te wijten, aan zijn eigen passiviteit, aan zijn gebrek aan oriëntatie. In onopvallende tussenzinnen komen we iets over hem te weten dat zijn blamage zou kunnen verklaren. Gilles die zich een ongeluk schrikt als hij zich over kunst moet uitspreken, Gilles ‘die niet van denken hield’. Het is eigenlijk verbazingwekkend op hoe weinig menselijke trekjes je hem kunt betrappen. Zo iemand vraagt er bijna om om als een dier te eindigen. Eerst verjoegen ze hem, daarna komen ze hem verdelgen.

Lees ook: Concentratie graag! Schaf de kantoortuin af