Recensie

De Beastie Boys schamen zich nog steeds voor de opblaasbare piemel

De memoires van de twee nog levende Beastie Boys vormen een zapdansboek waarin de rappers uit Brooklyn elkaar en zichzelf niet sparen.

The Beastie Boys in 1986, met v.l.n.r. Michael Diamond, Adam Yauch en Adam Horovitz
The Beastie Boys in 1986, met v.l.n.r. Michael Diamond, Adam Yauch en Adam Horovitz Foto Waring Abbott/Michael Ochs Archives/Getty Images

Die opblaasbare penis, daar hebben ze toch echt wel spijt van. Het leek zo leuk idee, in 1987: aan het eind van ieder Beastie Boys-optreden kwam het gevaarte tijdens ‘(You Gotta) Fight for Your Right (To Party)’ zo’n zes meter omhoog. Verderop hingen halfnaakte danseressen in kooien te headbangen. Ondertussen spoten rappers Mike D, MCA en Ad Rock liters bier het publiek in.

Hadden ze zichzelf toen maar vanuit de toekomst kunnen waarschuwen, treurt Adam Horovitz (oftewel: Ad Rock) dertig jaar later. Niet alleen omdat het zo belachelijk en beschamend was, ook omdat het een hoop stallingskosten had gescheeld. Het omstreden podiumrelikwie ‘leeft’ namelijk nog steeds, ergens in een opslagloods in New Jersey, waar het door het personeel nog één keer per jaar wordt opgelaten.

Maar dat krijg je ervan, schrijven Horovitz en collega Michael Diamond (aka Mike D) in hun gezamenlijke memoires Beastie Boys Book: als drie piepjonge punkrockertjes hiphop ontdekken en plotseling als allereerste blanke rapgroep de wereld aan hun voeten zien liggen, worden domme impulsen als ‘laten we een enorme piemel bouwen’ ook gewoon meteen uitgevoerd.

Valse start

Die jeugdzonden bleven de band nog lang achtervolgen. Het begon als slimme strategie (‘bij gebrek aan raptalent moesten we ons zo aanstootgevend mogelijk gedragen, dan zou iedereen ons wel onthouden’, schrijft Diamond), maar groeide al snel uit tot een gevangenis. ‘We werden datgene wat we haatten’, vat Horovitz samen. ‘Mensen verwachtten daadwerkelijk dat we avond aan avond die belachelijke karikaturen waren’, aldus Diamond. ‘(You Gotta) Fight for Your Right (To Party)’ zouden ze na 1987 nooit meer spelen.

Toch was die valse start tegelijkertijd een zegen: de Beastie Boys durfden radicaal het roer om te gooien. Dat leverde een allesbepalend album op. Paul’s Boutique (1989) was een muzikale goudmijn, een caleidoscopische cocktail met een intense rijkdom aan samples, stijlen (hiphop, funk, rock, country, jazz) en eigenzinnige arrangementen. De rechttoe-rechtaan-raps van voorheen klonken opeens beter doordacht. In plaats van ‘No Sleep Till Brooklyn’ pochte Ad Rock nu: ‘I got more stories than J.D.’s got Salinger.’

En hoewel Paul’s Boutique commercieel gezien volledig flopte, werd de plaat een blauwdruk voor de latere meesterwerken Check Your Head (1992), Ill Communication (1994) en Hello Nasty (1998) die wél weer het grote publiek bereikten. Het zijn platen als mixtapes: gevuld met hiphop, punkrock, pornofunk en freejazz. Het was de bedoeling zoveel mogelijk genres te vermengen, bekent Horovitz. Dan leek het alsof er ‘op dezelfde plaat telkens een andere band speelde’, net zoals bij hun invloedrijke punkpeetvaders Bad Brains en The Clash.

Het Beastie Boys Book is net zo’n ge(s)laagd ratjetoe, maar dan op papier. Van de op straat struinende kwajongens tot de audiofiele nerds die uren in platenzaken speuren naar een paar geschikte samples en zich vervolgens maanden in de studio opsluiten om samen te jammen – je beleeft het allemaal vanaf de eerste rang én vanuit verschillende perspectieven.

Diamond en Horovitz schrijven om beurten korte hoofdstukken. En als ze het onderling oneens zijn over het feitenrelaas, vliegen ze elkaar in de kantlijn van de pagina’s in de haren. Om die battles te beslechten worden er desnoods getuigen bijgehaald die het verlossende oordeel mogen vellen. Het verhaal wordt voortdurend onderbroken door een gigantisch aantal foto’s, recepten, strips en zelfs een uitklapposter van alle instrumenten en apparatuur, inclusief legenda. De bijna zeshonderd pagina’s dikke Beastie-bijbel mag dan zowat uit zijn kaft barsten, je zapdanst er zo doorheen.

Feministische revolutie

Wat ook helpt, is dat de hoofdpersonen een eigenschap bezitten die in de hiphop nogal zeldzaam is: zelfrelativering. Ze sparen zichzelf allerminst. Drumster van het eerste uur Kate Schellenbach mag uitgebreid klagen over hoe achterbaks ze uit de band werd gewipt. Toen de punkrock van de begindagen werd verdreven door rap zette producer en toenmalig ‘DJ Double R’ (beter bekend als Rick Rubin) de Beasties voor het blok: óf zij eruit, óf hij.

Ook trakteert de band zichzelf op een vrijwillige portie billenkoek door feministe Ada Calhoun een ‘lab report’ te laten schrijven waarin ze het seksisme uit de begindagen fileert (maar gaandeweg wel ‘een feministische reformatie’ constateert). En tot slot mag mode-goeroe en voormalig Vogue-redacteur André Leon Talley dertig jaar aan outfits vakkundig afzeiken. ‘Oh no!’ foetert hij bij iedere foto. ‘It’s so fake! Jullie zien eruit als bagagesjouwers op een vliegveld. So nerdy and boring!’ Ook dodelijk: ‘This is your pre-Grindr look. And it is not working!’

Maar hoe hilarisch ook, toch lijkt elke bladzijde in het Beastie Boy Book een onzichtbare rouwrand te hebben. Dit is namelijk maar tweederde van het verhaal. In 2012 stierf Adam Yaunch (MCA) aan de gevolgen van speekselklierkanker en met hem is ook de band heengegaan. Zijn dood echoot van de pagina’s en de leegte die hij heeft achtergelaten is pijnlijk voelbaar. Dat gapende gat kan ook dit boek helaas niet opvullen.

Lees ook: De meest beestachtige Beastie Boy - necrologie Adam ‘MCA’ Yauch