Phoebe Bridgers en Conor Oberst vormen samen Better Oblivion Community Center

Foto Khalid Amakran

Phoebe Bridgers en Conor Oberst willen harde gitaren en chaos

Rock Zangeres Phoebe Bridgers en zanger Conor Oberst vormen samen het rockduo Better Oblivion Community Center (BOCC). „Ik kan het niet uitstaan als mensen mijn liedjes mooi vinden maar mijn meningen overslaan. Opzettelijke domheid, noem ik dat.”

Twee soloartiesten sloten een verbond. Zij, halflang lila haar en bruine ogen, is zangeres Phoebe Bridgers; hij, halflang bruin haar, bruine ogen, is zanger Conor Oberst. Zij is 24, hij is 39. Beiden zijn geliefd om hun gevoelige solowerk, samen wilden ze een niet al te gevoelige rockband beginnen: Better Oblivion Community Center (BOCC).

Nu zitten ze in Amsterdam en schenkt hij haar thee in. De ongeschoren Oberst ziet eruit alsof hij al sinds zijn veertiende met allerhande rock-, punk- en soloprojecten langs de poppodia trekt – en dat is ook zo. Al meer dan twintig jaar is Oberst, uit Omaha, Nebraska, een boegbeeld van de Amerikaanse alternatieve muziek. Als voorman van de bands Bright Eyes en Desaparecidos, bijvoorbeeld. En of hij nu melodieuze indierock maakte (Bright Eyes), punksalvo’s speelde (Desaparecidos) of, zoals de laatste jaren, solo optrad, zijn houding is introvert maar zijn stem houdt niets achter: royale porties gekwelde emotie worden met een snik of huivering over de luisteraar uitgestort.

Phoebe Bridgers groeide op in Los Angeles, en maakte in 2016 haar debuut met de single ‘Killer’, op het platenlabel van Ryan Adams (zie kader), dat haar meteen een aanhang opleverde. Ze speelt akoestische gitaar, terwijl haar heldere zangstem soepel glooit langs pijnlijke klanken en stoere oplevingen. Ze wordt vaak ‘engelachtig’ genoemd, maar Bridgers kan ook glashard klinken.

Het is een stem die associaties oproept met het folkgenre. Oberst vertelt dat hij door Bridgers allerlei vergeten muzikale helden herontdekte. Maar met hun gezamenlijke band wilden ze juist niet aan een traditionele verwachting voldoen, zeggen ze.

Bridgers: „De mensen zagen ons waarschijnlijk meteen als een folkduo. Je kunt het uittekenen: naast elkaar met een akoestische gitaar, om de beurt een couplet zingend.”

Oberst: „Dat beeld wilden we doorkruisen. Ik wilde een rockband. En jij ook.”

Bridgers: „Precies. Nu zingen we soms om de beurt, maar meestal samen, begeleid door harde gitaren, zodat alles tegelijk op je afkomt. We wilden chaos.”

Nog een kenmerk moest worden vermeden: tweestemmige zang. Oberst: „Dat lag voor de hand, onze stemmen zouden daar geschikt voor zijn. Maar nee, als we tegelijk zingen, zingen we unisono. Gewoon allebei hetzelfde.”

Prettige associatie met punk

Vanwaar de afkeer van harmonie-zang? Bridgers kijkt gemeen naar Oberst. „Waarschijnlijk omdat hij het niet kan. Tweede stem zingen is niks voor jou, toch?”

Hij lacht. „Ik wil leadzanger zijn! Harmonie-zingen is knap, maar ook een beetje muziekschool-achtig. Unisono zingen betekent dat twee mensen allebei op de voorgrond willen staan. Het doet me denken aan tieners in hun oefenkelder die zich uitsloven, die gehoord willen worden. Het geeft mij een prettige associatie met punk.”

Bridgers: „Wat niet wegneemt dat we een van de nummers wél tweestemmig zingen en ik je dat uiteindelijk heb bijgebracht. Voor één keer heb je tweede viool gespeeld.”

Dat nummer is ‘Dylan Thomas’, een bruisend lied met elkaar najagende zangstemmen, dreinende gitaarakkoorden, kreupel dravende drumpartijen, en uiteindelijk een schrijnende solo van gitarist Nick Zinner (van Yeah Yeah Yeahs). Het titelloze debuut van BOCC is een bonte verzameling songs, met ideeën in overvloed, en soms de rafelige onverenigbaarheid van de vitale Bridgers en de doorleefde Oberst, die de noten minder lang volhoudt. ‘My City’ is een indringende jammerklacht over een stad waaruit de liefde verdween; ‘Exception To The Rule’ een uitbundig duet, ondersteund door een atypisch synthesizerdeuntje. Het zijn verhalende nummers, voortgedreven door de losjes gespeelde drums en gitaarakkoorden.

De naam Better Oblivion Community Center staat voor de dualiteit van onverschilligheid enerzijds en de behoefte aan gezamenlijkheid anderzijds.

Conor Oberst was gedurende zijn hele carrière betrokken bij politiek, zowel in zijn muziek als in het dagelijks leven. Zo was bandnaam Desaparecidos ontleend aan de slachtoffers die verdwenen in Chili, onder dictator Pinochet; hij zong liedjes als ‘When The President Talks To God’, spreekt zich uit tegen de immigratiewetten en voor Planned Parenthood.

Het album van BOCC opent met ‘Didn’t Know What I Was In For’, dat het gevoel van de luisteraar lijkt te verwoorden, die hier, bij wijze van openingsstatement, wordt overvallen door een nachtmerrie-achtige inventarisatie van alles wat de moderne westerling over zijn kant laat gaan (‘My arms are strapped in a straight jacket/So I couldn’t save those TV refugees/ When they’re on their backs/ In a bloody bath’).

„Dat gaat over onze apathie jegens misstanden”, zegt Bridgers. „Het idee ervoor ontstond uit gesprekken over kwesties waar we ons allebei schuldig over voelen. Bijvoorbeeld dat je op Facebook of Instagram een petitie over een bepaalde zaak ondertekent, en hem doorstuurt naar je vrienden. Dat is een handeling die er eerder toe bijdraagt dat jij je goed voelt over jezelf, dan dat anderen er iets aan hebben.”

Oberst: „Ik bedacht de regel over iemand die een marathon rent ‘tegen kanker’. Dat stelt uiteindelijk niets voor, maar aan de andere kant kun je beter iets doen dan niets. Het liedje gaat over dat conflict.”

Bridgers: „Ik denk altijd dat mijn aanhang precies zo denkt als ik, dat we het met elkaar eens zijn. Ik bedoel: hoe kun je naar mijn feministische, seksepositieve teksten luisteren en zelf geen feminist zijn?” Ze draait zich naar Oberst. „Dat vond ik altijd al zo goed aan jou, dat jij tijdens je optreden het publiek uitdaagde. Je riep ‘fuck racism en als je het daar niet mee eens bent, dan blijf je maar weg’.”

Oberst: „Ik vind dat muziek en opvattingen met elkaar samenvallen. Ik kan het niet uitstaan als mensen mijn liedjes mooi vinden maar mijn meningen overslaan. Opzettelijke domheid, noem ik dat.”

Bridgers: „Laatst, toen ouders en kinderen van elkaar werden gescheiden bij de Mexicaanse grens, maakte ik me op Twitter boos over immigratiedienst ICE. Tot mijn verbazing kreeg ik daarna een e-mail van een fan die een kaartje had gekocht voor een van mijn optredens. Omdat hij een witte man was, schreef hij, en aanhanger van ICE, zou hij zich daar onveilig voelen. Ik weet niet of hij gekomen is, maar ik was onder de indruk. Eindelijk een witte hetero die zich onveilig voelt bij mijn show, in plaat van mij ‘engelachtig’ te noemen.”

    • Hester Carvalho