Opinie

Kat of shit, beide kunnen kunst zijn

Joyce Roodnat Alles kan kunst zijn. Licht, stront, adem. En katten. Joyce Roodnat moet lachen om pindakaas, en is weerloos bij de poezen van Henriëtte Ronner-Knip.

Joyce Roodnat

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam spiest de engel Michaël een gevallen collega, op een 17de-eeuws schilderij van Luca Giordano. De Gemäldegalerie in Berlijn leent het voor twee maanden uit en ik maak mee dat het uit zijn kist komt. Het deksel gaat opzij. Daar is het. Nog in een lap plastic maar iedereen roept „oooh”. Ik ook.

Onderaan het doek blaft een hellehond. Zijn muil ontbeert elk gevoel voor snuit. Giordano bestudeerde het mannenlichaam, zette er vleugels aan en leende het resultaat uit aan deze adembenemende aartsengel. Maar wat van een hond een hond maakt, daar sloeg hij een slag naar.

Luca Giordano, Sint Michaël (Der Heilige Michael), (ca. 1663, olieverf op doek, 198 x 147 cm). Foto Evert Elzinga

Wie een goed geschilderde hond wil zien, kan naar het Stedelijk museum Vianen, naar de expositie van de 19de-eeuwse Henriëtte Ronner-Knip. Gespecialiseerd in katten maar ook haar honden mogen er zijn. Het radio-geschiedenisprogramma OVT besteedde aandacht aan haar. Erg leuk werd dat niet. De presentatoren konden er niet over uit dat ze haar serieus moesten nemen. Want dieren in de kunst wekken argwaan, en poezen helemaal. Vertedering dreigt. Mag niet. Eng! Althans in Nederland. Ik zag in het Britse Rye in het woonhuis van de grote schrijver Henry James ongegeneerd een tekening van Beatrix Potter hangen. Lief, en hartstikke goed.

Besmuikt doen over Henriëtte Ronner is kleinzielig. Kijk naar haar suggestie-van-vlieg tussen de uitslaande voorpoten van een kitten. Grote kwaliteit. En ja, ik ben weerloos. Nou én?

In de jaren 60 had een kunstenaar een hond geaaid en hem dan gesigneerd. Alles kon kunst zijn: licht, stront, adem, het niks. Het Gemeentemuseum Schiedam laat zien hoe de Nederlandse nulkunstenaars die gedachte in praktijk brachten onder aanvoering van de Milanees Piero Manzoni. In het bijbehorende boek, Manzoni in Holland, wordt gewichtig gesteld dat de kunst bevrijd moest worden „van de illusie van ruimte en vorm” – alsof dat ooit kan. Wat je ook doet, ruimte en vorm zijn inbegrepen. En zonder illusie, wie wil dat? Mij niet gezien, ik houd niet van grauw.

De kleinste vriend (1891-1893) van Henriëtte Ronner-Knip, particuliere collectie. Foto Alex Cohen

Ze meenden het ook niet zo, denk ik. Wim T. Schippers leegde een flesje limonade in de zee – kunst. Manzoni blikte zijn drollen in, 30 gram per blikje, destijds te koop tegen de actuele goudprijs – kunst. De nulkunstenaars wilden af van autoriteiten. En werden dat zelf, zodat er over deze geweldig leuke tentoonstelling een sfeer van eerbied hangt. Maar blikjes poep, een geknapte ballon die ‘adem van de kunstenaar’ heet – dat is toch ook grappig? Ik gniffelde al vaak om de pindakaasvloer van Schippers, telkens weer braaf uitgesmeerd door museumpersoneel. Nu in Schiedam de pinda-allergielijders herhaald en nadrukkelijk worden gewaarschuwd, krijg ik helemaal de giechels. En vind ik het kunstwerk nog beter.