Homo sapiens jaagde 45.000 jaar geleden al in regenwoud

Archeologie Grootschalige jacht op kleine boomdieren in de tropen werd tot nu toe pas vanaf 20.000 jaar geleden gezien.

De ingang van de Fa-Hien Lena-grot in Sri Lanka.
De ingang van de Fa-Hien Lena-grot in Sri Lanka. Foto O. Wedage

Dankzij de jacht op die dieren die hoog in de bomen leefden, zoals aapjes en reuzeneekhoorns zo groot als een kat, slaagden menselijke jagers er al 45.000 jaar geleden in om te overleven in het tropisch regenwoud. Dat mensen (Homo sapiens) toen al beschikten over die gespecialiseerde jachttechniek blijkt uit analyses van fossiel botmateriaal uit de Fa-Hien Lena-grot in het woud van Zuidwest-Sri Lanka. Een groep archeologen onder leiding van onder meer Patrick Roberts van het Max Planck Instituut in Jena (Duitsland) publiceert deze week over hun conclusies in Nature Communications.

Meer dan 70 procent van het geïdentificeerde botmateriaal in de grot was – ook al in de vroegste tijden – afkomstig van aapjes en boomeekhoorns. Herten en runderen werden ook bejaagd, maar die vormden maar een paar procent, net als vissen, vogels en reptielen. Veel van de botten zijn duidelijk door mensen ‘behandeld’, door verbranding (17 procent) en snijsporen (0,64 procent). In de grot zijn ook menselijke fossielen gevonden, van vier kinderen van ongeveer 30.000 jaar oud – de oudste menselijke resten in Zuid-Azië. Zo’n gespecialiseerde jacht op boomaapjes kan heel makkelijk leiden tot overbejaging, schrijven de onderzoekers, maar kennelijk wisten de jagers dat goed te voorkomen, want het patroon bleef tienduizenden jaren bestaan. Behalve werktuigen en pijl- of speerpunten zijn ook kralen en oker gevonden.

Tropische specialisatie

De grootschalige jacht op relatief kleine boomdieren is opvallend, omdat dergelijke tropische specialisatie tot nu toe pas vanaf 20.000 jaar geleden was gezien. De onderzoekers plaatsen daarom hun vondst in een grotere context, waarover Roberts vorig jaar al publiceerde in Nature Human Behaviour. Roberts en zijn collega’s betogen dat niet een groter verstand het opvallendste verschil is van Homo sapiens met andere, uitgestorven hominiden zoals de neanderthaler, maar een extreem goed ecologisch aanpassingsvermogen aan nieuwe omstandigheden. Dat zou berusten op een geavanceerdere culturele overdracht van kennis, waarbij natuurlijk dat mogelijk grotere verstand en ook taal weer betrokken zijn. Maar het gaat er dus om wat de mensen met dat verstand deden: ecologische aanpassingen.

In ieder geval wordt ook uit de Sri Lanka-vondst duidelijk dat Homo sapiens een groot overlevingsvermogen had in gebieden waar andere Homo-soorten eerder nooit kwamen. Dus niet alleen graslanden, bosranden en rivieroevers, waar Homo-soorten zich al twee miljoen jaar ophielden, maar – in ieder geval vanaf zo’n 50.000 jaar geleden – ook tropische bossen zoals in Sri Lanka, arctische woestijnen zoals in Noord-Siberië en extreme hoogte zoals in Tibet.

Vondsten in de grot

De mensen die 45.000 jaar geleden in de grot in Sri Lanka leefden, en daar (afgaand op de vondsten in de grot) met onderbrekingen bleven leven tot zo’n 4.000 jaar geleden, waren ongetwijfeld onderdeel van de grote expansie van Homo sapiens uit Afrika, waar onze soort circa 300.000 jaar geleden ontstond. Die begon waarschijnlijk rond 70.000 jaar geleden.

De jacht op relatief kleine dieren hoog in de bomen is bijzonder

Dat het boven de poolcirkel, in woestijnen en boven 3.000 meter moeilijk overleven is, is duidelijk, maar ook de jacht op relatief kleine dieren (tussen 1 en 25 kilogram) hoog in het tropische bos geldt als bijzonder. Uit de gevonden pijlpunten leiden de archologen af dat de mensen in het Sri Lankese woud met projectielen, waarschijnlijk speren, op de dieren joegen. De meeste pijlpunten waren gemaakt van de lange botten van de aapjes, vooral ceylonkroonaapjes, witbaardlangoeren en de ceylonhoelman.

De huidige inheemse volkeren gebruiken een uitgebreid arsenaal aan jachttechnieken die mogelijk ook tienduizenden jaren geleden al werden toegepast maar niet in de archeologie zijn terug te vinden. Zoals vogellijm op lange stokken, waarmee de reuzeneekhoorns en aapjes naar de bosbodem worden getrokken om daar gedood te worden, maar ook blaaspijpen met daarin scherpe projectielen. Pijl en boog zijn volgens de laatste inzichten pas rond 20.000 jaar geleden uitgevonden, maar kúnnen ouder zijn.

Grote klimaatveranderingen

In de Grote Trek out of Africa, die mensen al circa 60.000 jaar geleden tot in Australië bracht en 15.000 jaar geleden in Amerika, kwam Homo sapiens ook in gebieden waar andere mensachtigen leefden: in Europa en Azië de geheimzinnige neanderthalachtige Denisova-mens en de neanderthaler zelf, en in Indonesië de kleine Floresmens en misschien ook nog Homo erectus. Al die nauw verwante soorten, die waarschijnlijk niet beschikten over zo’n breed scala aan ecologische aanpassingen, zijn uitgestorven in de grote klimaatveranderingen van de laatste honderdduizend jaar. De auteurs in Nature Communications schrijven met een haast onwetenschappelijk gevoel voor drama in hun laatste zin: Homo sapiens is daarmee „the last hominin standing on the face of the planet”. Dankzij zijn extreme aanpassingsvermogen dus.