Recensie

Bijzondere combinaties uit de Hermitage overbruggen ruimte en tijd

Beeldende kunst Ter gelegenheid van het tienjarig jubileum toont de Hermitage Amsterdam een ruimhartige selectie uit de onmetelijke collecties van het moedermuseum in Sint-Petersburg.

Jan Fabre, Dwaasheid staand op de dood, 2016
Jan Fabre, Dwaasheid staand op de dood, 2016 Foto Evert Elzinga

Onder een opgezette zwaan in volle vlucht bungelt een skelet-achtig wezen dat geheel is bedekt met de glanzend-groene schilden van prachtkevers. Het indrukwekkende, twee meter hoge werk werd in 2016 gemaakt door de Belgische kunstenaar Jan Fabre voor een expositie in de Hermitage in Sint-Petersburg. Een jaar later werd het geschonken aan het museum. Nu trekt het de aandacht bij de ingang van de expositie van een genereuze selectie van zo’n tweehonderd werken uit het Russische museum waarmee de Hermitage Amsterdam haar tienjarig jubileum kracht bij zet.

De zwaan van Fabre, getiteld Dwaasheid staand op de dood, is het meest recente werk in de tentoonstelling. Te beginnen bij de zogenaamde ‘Venus van Kostjonki’, een klein kalkstenen beeld van een vrouw dat 21.000 jaar geleden zal zijn gemaakt, weerspiegelt die iets van de reikwijdte in ruimte en tijd die de schier onmetelijke collecties van het moedermuseum kenmerkt.

De presentatie bevat dan ook kunstwerken uit zeer uiteenlopende gebieden: van schilder- en beeldhouwwerken uit Rusland, China en Japan, tot voorwerpen als serviesgoed en portretten die getuigen van het hofleven van de tsaren, tot de werken uit de Europese Renaissance en Barok die deze Russische heersers zozeer wisten te waarderen. Slechts in de afdeling hedendaagse kunst is de variatie minimaal: naast het werk van Fabre en een video-installatie door Rineke Dijkstra is er een reeks installaties en werken op papier te zien, alle van de hand van de Russische dichter en conceptuele kunstenaar Dmitri Prigov (1940-2007).

De kleine zalen op de eerste verdieping van de Amsterdamse dependance bieden een mooi overzicht van thematisch samenhangende groepen kunst- en gebruiksvoorwerpen. Sommige springen eruit, zoals de bronzen kop van een sombere Romein met een korte baard (circa 50 v.Chr). Hij staart je aan met de gaten waar de ooit apart gemaakte ogen uit zijn verdwenen. Een lamp van een bijna twee decimeter groot stuk gesneden en gepolijst bergkristal uit het Egypte van omstreeks 1000 is gevat in een gouden montuur uit de Italiaanse Renaissance. Objecten als dit roepen, samen met talloze werken van edelsmeedkunst, vazen, munten en wapens, de indruk op van de exotische schatkamer uit de titel van de expositie.

Inhoudelijk uitdagender is het eerste deel van de tentoonstelling. Daar zijn, op een originele en associatieve manier, telkens twee ogenschijnlijk vaak weinig verwante werken aan elkaar gekoppeld. Zo hangt een naakte versie van de Mona Lisa, van een schilder uit de omgeving van Leonardo da Vinci, pal naast een even blote en even ongegeneerd het beeld uit blikkende vrouw die Henri Matisse in 1908 schilderde. Een dertiende-eeuwse Chinese rolschildering van de majestueuze verschijning van de Boeddha bevat in de linkerbenedenhoek twee minuscule figuurtjes van gelovigen. Het belendende kleine drieluik met de Kruisiging van Christus dat Maarten van Heemskerck omstreeks 1550 schilderde, is ook een cultusbeeld waarin stervelingen zich verhouden tot de godheid. Maar in dit geval zitten de opdrachtgevers er heel wat prominenter bij.

Vilten vogel uit de derde eeuw voor Christus. State Hermitage Museum, St Petersburg

Een van de fascinerendste voorbeelden van wat deze expositie ‘reminiscenties’ noemt, betreft Jan Fabres opgezette zwaan met het geraamte dat zich eraan vastklampt. Het werk is gekoppeld aan een cartooneske, zwaanachtige vogel van wit vilt, gevuld met gras. Het dier heeft een kromme hals, een grote snavel en lange vleugels met zwarte slagpennen. Zonder veel moeite zou het kunnen doorgaan voor een modern knuffelbeest. Verbijsterend genoeg blijkt het te gaan om een van de vier vilten vogels uit de derde eeuw voor Christus. Die zijn in 1950 aangetroffen in een grafheuvel in Pazyryk, in Zuid-Siberië. De relatie met oeroude grafrituelen slaat over meer dan twee millennia een brug tussen de antieke vogel en Fabres moderne verbeelding van dwaasheid en vergankelijkheid.