De Zuid-Hollander poldert zich resultaatgericht suf

Identiteit provincies Dé Zuid-Hollander bestaat niet en een gevoel bij Zuid-Holland hebben de meeste inwoners nauwelijks. Maar dat betekent niet dat niets hen verbindt.

Zicht op Rotterdam vanaf de Berkelsche Zweth.
Zicht op Rotterdam vanaf de Berkelsche Zweth. Foto David van Dam

Tussen Berkel Westpolder en de oostkant van Schiedam ligt Zuid-Holland. Het Zuid-Holland dat iedere Zuid-Hollander – als die zou bestaan – onmiddellijk herkent. Hier, wandelend langs de Bovenvaart, de Berkelsche Zweth, de Delftse Schie en de Poldervaart, komt op twaalf kilometer bijna alles dat de provincie is samen. Alleen de kust en de bollenvelden ontbreken.

Je ziet er de verdichting: forenzendorp Berkel en Rodenrijs groeit gestaag. De rijtjeshuizen die langs het station van de Randstadrail – de metro tussen Den Haag en Rotterdam – staan, stonden er vijf jaar geleden nog niet. En aan de randen van Schiedam wordt óók gebouwd, ook in vuurrode baksteen.

De bedrijvigheid: heipalen worden geslagen voor weer een nieuwe strook vierkante grijze distributiepakhuizen. De drukte: het verkeer op de A13 raast door, vliegtuigen komen over, elk kwartier passeert een trein, en grind en zand gaan per schip over de Schie naar de Maas.

Links, achter een rij kassen, doemt de skyline van Rotterdam op, met zijn 21ste-eeuwse wolkenkrabbers. Rechts Delft, met de kerktorens die Johannes Vermeer in de zeventiende eeuw ook al zag. En rondom, in de Berkelsche Bergboezem, is het groen, met dijken en een molen. Met gemalen die de polder drooghouden, zoals ze dat al eeuwen doen. De boezem ligt 6,40 meter onder NAP, staat op een paal. Meerkoeten vermaken zich na een nat weekeinde in het drassige gras.

3,6 miljoen mensen, veel bedrijvigheid, en ook nog groen, water en natuur op 3.419 vierkante kilometer. Dat is Zuid-Holland. Maar één identiteit?

Het makkelijke antwoord op die vraag zou zijn: ‘Die is er niet.’ De Zuid-Hollander heeft geen gezamenlijke rituelen. De vlag is weliswaar gebaseerd op het wapen van het elfde-eeuwse gewest Holland, maar bestaat pas sinds 1986. Het volkslied stamt uit 1950 en werd door twee provincieambtenaren geschreven. De provincie vergat zelfs, zo vertelt gedeputeerde Rik Janssen (Milieu, Water, Cultureel Erfgoed, SP), in eerste instantie bij het verlenen van een vervoerconcessie te eisen dat het logo van Zuid-Holland op de bussen kwam.

Hij zegt: „Je moet ook niet aan een Rotterdammer vragen wat hij met de Alblasserwaard heeft.” Maar hij zegt ook: „Voor gemeenschapszin is geen carnaval nodig.” En onmiddellijk: „O jee, nu doe ik vast mensen tekort.”

Streekgebonden

Een enquête die onderzoeksbureau I&O Research en Omroep West onlangs rondstuurde, geeft hem gelijk. Er werd gevraagd waar de Zuid-Hollander het meest trots op was. En de antwoorden waaruit je kon kiezen, waren vooral streekgebonden, níét provinciebreed.

Zo kon je trots zijn op ADO Den Haag of Feyenoord of Excelsior of Sparta. Zuid-Holland kent meer dan één grote voetbalclub. Je kon kiezen uit stadsgebonden producten: Delfts blauw of Goudse kaas (stroopwafels en kaarsen), maar dan weer niet het Haagse hopje of jenever uit Schiedam. De viering van Leidens Ontzet (1574) stond op de lijst, maar niet de inname van Den Briel (1 april 1572). Wel de havens van Rotterdam, niet de Deltawerken, die mede voor Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten en de Hoeksche Waard van belang zijn. Wel de kust en de rivieren, niet het veen of het moeras van de Biesbosch.

Lees ook: Wind is voor Zuid-Holland nu een besmette term

Holland – Zuid en Noord zijn pas in 1809 gescheiden – had ook nooit een reden nodig zijn inwoners te verbinden. De politieke en economische macht van de Republiek was in dit gewest aanwezig. Holland was het centrum, ook even van de wereld. De inwoners van andere gewesten zetten zich tegen de Hollanders af. Nog altijd wordt Nederland aan buitenlandse toeristen aangeprezen als ‘Holland’, met de tulp als symbool.

‘Je bent een plek van zoveel niet”, dichtte provinciedichter Etwin Grootscholten vorig jaar dan ook over Zuid-Holland:

Je bent mijn land, mijn postzegel.

Schaamteloos, de millimeter die me trots

maakt, aanwezig in drukte, welvaart en genot,

land dat ruimte biedt

en bieden blijft

aan alles van hier en niet hier, als

het Droste-effect desnoods:

achter alles zit weer alles

en alles is weer anders.

Grootscholten gelooft niet in één Zuid-Hollandse identiteit. Hij is „Westlander, géén Zuid-Hollander”, zegt hij. Maar hij ziet wel degelijk een gezamenlijkheid. Hij vergelijkt de provincie met „een hommelkolonie”: „Schijnbaar chaotisch en druk, maar eigenlijk erg gestructureerd. Dat is noodzakelijk: samen aan het werk, innovatie is nodig.” Grootscholten zegt: „We polderen ons hier resultaatgericht suf.”

Immigratieregio

Figuurlijk en letterlijk doet de Zuid-Hollander dat al eeuwen, dat polderen. „Het was perifeer gebied, kwetsbaar door de lage ligging aan het water”, vertelt Marcel IJsselstijn, historisch geograaf aan de Universiteit Leiden. „Men zocht steeds inventievere oplossingen om te kunnen blijven zitten.” IJsselstijn deed onderzoek naar de ontwikkeling van middeleeuws Holland, dat al eind vijftiende eeuw een van de meest verstedelijkte gebieden van Europa was en nog steeds is. Antwerpen en Gent waren toen groter in omvang en inwoners, maar Holland had meer middelgrote steden.

Door de ligging was Holland al vroeg een immigratieregio en keken de inwoners naar buiten. IJsselstijn noemt twee voorbeelden: „Graaf Willem II was in het midden van de dertiende eeuw niet alleen graaf van Holland, maar ook koning van het Heilige Roomse Rijk.” En vertelt hij: „In 2014 werd isotopenonderzoek verricht op lichamen die in de elfde eeuw naast de Grote Kerk van Vlaardingen waren begraven. De helft van de 26 kwam niet uit de regio, maar uit Engeland, Noorwegen en Normandië.”

De Hollandse steden concurreerden onderling hevig. IJsselstijn wijst op de Schie: zowel Rotterdam als Delft lieten in de veertiende eeuw een eigen kanaal graven naar de Maas. De oudere Delftsche Schie ligt er ook nog altijd. „Fantastisch toch dat een elfde-eeuwse constructie nog steeds functioneert! De weg en het spoor zijn er parallel aan gelegd”, zegt IJsselstijn.

Foto David van Dam

Niet alleen die kanalen, maar het hele middeleeuwse landschap ligt er nog. „Haal je de kassen in het Westland weg, dan is die structuur er nog”, zegt IJsselstijn. Van de wegen en sloten tot de kanalen die werden gegraven om de afwatering van Delfland om te leggen. In Delft zie je in de plattegrond nog altijd de verkaveling.

Het veenland, zegt IJsselstijn, werd noodzakelijk voor de steden: behalve voedsel, leverde het ook de turf die werd gebruikt als brandstof. „Dat bracht een dynamiek op gang tussen stad en platteland. Niet alleen economisch, maar ook doordat de grond door de turfwinning ging zakken. Toen ontstond het hele stelsel van molens, sluizen en kanalen.” De oudste – nog altijd functionerende hoogheemraadschappen van Nederland dateren uit die tijd: Rijnland (1255), Schieland (1273) en Delfland (1289). IJsselstijn: „Waar nodig, ging men samenwerken. Het was in ieders belang droge voeten te houden.”

En dat, zegt gedeputeerde Rik Janssen, is nog steeds zo. Het gevecht tegen water is volgens hem wat de Zuid-Hollander verbindt. „Het komt van boven, het komt van zee en van de rivieren, en van onder verdwijnt het juist.” Dat is in andere provincies ook zo, zegt Janssen, maar in Zuid-Holland gebeurt het allemaal tegelijk: „We hebben te veel water, te weinig of op de verkeerde plek.”

Bijvoorbeeld bij Goeree-Overflakkee, zegt Janssen, is de waterkwaliteit van het Grevelingenmeer achteruitgegaan sinds de Brouwersdam in 1971 het meer van de Noordzee afsloot. Dus daar worden nu openingen in gemaakt. Aan de kust kalven de stranden en duinen af, waardoor de natuurlijke verdediging verdwijnt. Om dat tegen te gaan is bij Ter Heijde de Zandmotor gebouwd, die de stranden natuurlijk moet laten groeien.

En in 75 procent van de provincie – die al grotendeels onder NAP ligt – daalt de bodem doordat het veen inklinkt. In sommige gebieden zakt de grond met centimeters per jaar. In Driebruggen, bij Gouda wordt 450 kilometer aan drainagebuizen aangelegd om het gebied te vernatten.

Zuid-Holland heeft daarbij één geluk, zegt Janssen. „Juist doordat er zo veel mensen wonen, moeten we en kunnen we samen een oplossing vinden.”

En dat zorgt wél voor gemeenschapszin in Zuid-Holland.

Correctie 20 februari: Ten onrechte stond in bovenstaand artikel dat er in 2017 in Zuid-Holland 2.353 kinderen waren geboren. Dat waren er 39.428

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.