De vele gezichten van Overijssel, ‘het Toscane van Nederland’

Identiteit provincies Overijsselaars identificeren zich meer met hun regio dan hun provincie. Welsum – een Overijssels dorp ten westen van de IJssel – voorkwam ooit via een referendum een overgang naar Gelderland. Boodschappen doen ze er wel, maar „de taal en de mensen zijn hier anders”.

Veerman Frans Driessen van het Olsterveer. De pont over de IJssel is de verbinding tussen Olst en Welsum, een Overijssels kerkdorp omsloten door Gelderland.
Veerman Frans Driessen van het Olsterveer. De pont over de IJssel is de verbinding tussen Olst en Welsum, een Overijssels kerkdorp omsloten door Gelderland. Foto Bram Petraeus

Veerman Frans Driessen kijkt vanuit de stuurhut van het Olsterveer over de IJssel – eerst naar links, dan weer naar rechts. Hij vaart heen en weer in Overijssel. Aan de kant van Olst ligt het gros van de provincie: eerst Salland, daarachter Twente. In het zuiden ligt Deventer en in het noorden hoofdstad Zwolle, met Steenwijk in de kop.

Aan de andere kant van de IJssel ligt de rest: een zes kilometer lange strook waarop de zeshonderd inwoners van Welsum wonen, geheel omsloten door Gelderland.

Het kerkdorp vormt een uitzondering op de natuurlijke westgrens van Overijssel. Een oversteek naar Olst gaat per pont en bij hoog water via de brug in Deventer, vijftien kilometer verderop. In 1990 wees staatssecretaris Dieuwke de Graaff-Nauta (Binnenlandse Zaken, CDA) Welsum aan als ‘knelpunt in de provinciegrens’. Ze vond het logischer om het dorp bij Gelderland onder te brengen. Daarop stelde de gemeente Olst een referendum in om de dorpelingen een stem te geven.

„Een heel gedoe”, herinnert Frans Driessen zich, die al 27 jaar op de pont werkt, maar in het Gelderse Twello woont. Hij laat de laadklep van de pont neerdalen. „Het dorp hoort bij de IJssel. Vroeger roeiden de mensen al met bootjes naar de overkant om bij de steenfabriek te werken.”

In het najaar van 1990 was de opkomst voor de volksraadpleging dan ook groot. 90 procent van de dorpelingen kwam opdagen en 83 procent daarvan stemde tegen een Gelderse overgang. De gemeente respecteerde de uitslag en Welsum bleef Overijssels.

Rood-geel bloed

Het is vrijdagochtend. In Welsum zoeft verkeer over de IJsseldijk, ter hoogte van de Zijlweg rust een wielrenner op een bankje. Dorpshuis De Bongerd is gesloten, de aanpalende sportvelden zijn verlaten. Iets voorbij de kerk staat de dorpsschool – kinderstemmen reiken tot aan de dijk.

Welsum
Foto Bram Petraeus
Welsum
Foto Bram Petraeus
Welsum
Foto Bram Petraeus

Achter zijn woonhuis aan de IJsseldijk zit Evert Bredenoord op de tractor. Met een kuilsnijder maakt hij veevoer klaar voor zijn melkkoeien. Bredenoord is een echte Welsummer, de boerderij is al sinds halverwege de negentiende eeuw familiebezit.

Hij herinnert zich het referendum goed. „De rivier maakte gemeentezaken ingewikkeld. Ik denk dat ze van ons af wilden.” Zelf stemde de boer tegen een overgang. Dan zou Welsum zijn aangewezen op Gelderland en waren de voorzieningen, die het dorp door de unieke positie nu nog heeft, verdwenen. Hij somt op: „Zeventien verenigingen, drie voetbalteams, een school, de brandweer, het dorpshuis en de kermis.”

Bovendien heeft Bredenoord niets met Gelderland, hij voelt zich Sallander – de landstreek in het westen van Overijssel – en dát is aan de andere kant van de IJssel. „De taal en de mentaliteit zijn hier anders. We spreken geen Gelders dialect en kijken naar elkaar om. Als het kerkorgel kapot is worden er zo duizenden euro’s ingezameld voor de reparatie.”

Desondanks komt de boer weinig aan de overkant, enkel voor zijn rijbewijs of als hij iets moet regelen voor de boerderij. De boodschappen worden in Gelderland gedaan.

Terug bij de pont staat Ria Voorhorst te wachten, ze gaat naar de vrijdagse markt in Olst. Ze herinnert zich het referendum nog. „Het dorpsleven is belangrijk voor ons”, vertelt ze. „Vroeger hadden we hier vier kruidenierszaken.” Al denkt ze wel dat de binding met Overijssel vroeger sterker was. „Veel boeren stoppen met werken, hun boerderijen worden opgekocht door import uit het westen.”

Toch blijft iets de inwoners van Welsum doen hunkeren naar de overkant. „Ik kan het niet echt uitleggen,” zegt barman Erik Keurhorst van café Bijsterbosch, leunend op de tapkast. Hij refereert naar de provincievlag. „Het is dat rood-gele bloed dat in mij stroomt.”

Lees ook: In Overijssel lijkt de tijd stil te staan

Gestapelde identiteiten

Dat niet elke inwoner van Overijssel zich daadwerkelijk Overijsselaar voelt, is volgens Herman Pleij, emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, niet opmerkelijk. Laatst was Pleij voor een lezing in Dalfsen, nabij Zwolle, en vroeg hij het publiek met welk gebied ze zich identificeren. Ze bleken zich vooral Dalfs te voelen. „Ieder mens heeft gestapelde identiteiten. Het begint bij zaken die dicht bij de mens staan, zoals het geloof, het dorp of een voetbalclub, daarna komt de regio.”

In sommige provincies valt de identiteit samen met de provinciegrenzen, zoals in Friesland, vertelt Pleij, „maar in een provincie als Overijssel is dat onduidelijker”. Het gebied kent veel regionale identiteiten. De provincie herbergt Twente en Salland, maar ook zowel de confessionele Biblebelt als katholieke plaatsen als Oldenzaal. Dat de provincie zélf wat identiteitsloos lijkt is opmerkelijk, gezien de naam Overijssel al in de zestiende eeuw voorkomt.

Het zit een beetje in de naam, een verzameling van gebieden, vertelt Pleij. „Overijssel is een afgeleide van ‘Oversticht’, het land dat voorbij het ‘Sticht’ lag – het bisdom van Utrecht.”

De bekendste identiteit van Overijssel is natuurlijk Twente, tegen de Duitse grens. „Hoe verder tegen de rand van het land, hoe sterker de identiteit om het verschil met het buurland te benadrukken.” Pleijs eigen vader was Tukker. „Hij was ontzettend trots op Twente, bijvoorbeeld tijdens de dorpsrevue.”

De IJssel vanuit Welsum

Foto Bram Petraeus
Foto Bram Petraeus

Die sterke Twentse identiteit heeft alles te maken met de geschiedenis van het gebied. Halverwege de negentiende eeuw kwam veel textielindustrie naar Twente. De bevolking werd uitgebuit, wat een sterke band creëerde. Later werd dat gecultiveerd. Zo sterk, dat er meerdere malen plannen waren om een Twentse provincie op te richten.

„De laatste keer waren we er zeer dichtbij,” vertelt Hans Kok, voormalig wethouder van Hengelo. Hij was halverwege de jaren negentig lid van het dagelijks bestuur van het kaderwetgebied Regio Twente, de basis voor de provincie Twente. „De toenmalige overheid wilde een aantal stadsprovincies: Arnhem-Nijmegen, Eindhoven, Rotterdam, maar ook Twente.”

Het was een opdracht vanuit de landelijke politiek, vertelt Kok, die later burgemeester van Hof van Twente werd, maar er was zeker draagvlak onder de bevolking. „Voor veel mensen is Zwolle toch ver weg. Een Twentenaar is op de eerste plaats Tukker.”

Het project duurde vier jaar, bijna alle gemeenten zaten op één lijn, „en toen werd de stekker eruit getrokken,” verzucht Kok. „Bij een aantal stadsprovincies lukte het niet en als één provincie niet doorgaat, gaan ze allemaal niet door.”

In plaats daarvan kwamen er gemeentelijke herindelingen, waar de inwoners zich volgens Kok minder mee konden identificeren. „Het verdeelde de mensen, denk maar aan het beruchte Twentestad.” In dat plan zouden onder meer Enschede en Hengelo fuseren.

Volgens Kok is het niet erg dat de provincie wat identiteitsloos is. „Zo lang de provincie de gemeenten goed ondersteunt – al dan niet financieel – is dat prima.” De identiteit zit volgens hem in de hoofden van de mensen. „Een gemeentelijke fusie van Hengelo en Enschede roept weerstand op, maar als je van heel Twente één gemeente zou maken, dan zouden mensen dat prima vinden.”

Dat is ook te zien in andere Overijsselse randgebieden zoals Hardenberg, dat boven Twente zweeft, en de Kop van Overijssel, ingeklemd tussen Friesland, Drenthe en Flevoland. Door die relatief geïsoleerde posities is het voor de inwoners lastig om binding te krijgen met andere delen van de provincie.

In de jaren negentig leidde dat in Steenwijk tot woede, inwoners moesten niets hebben van „dat arrogante Zwolle”. In een reeks artikelen in de Leeuwarder Courant werd zelfs gepleit voor afscheiding van Overijssel. „In die tijd was dat heftig”, vertelt Clazinus Netjes, destijds raadslid in Steenwijk. „De inwoners van Steenwijk voelden zich achtergesteld. Het woonbeleid voor kleine kernen was erg streng, in Friese plaatsen als Wolvega was dat veel beter geregeld. Daar werden wel huizen gebouwd.”

Een echte afsplitsing kwam er nooit. „Steenwijk wilde vooral een signaal afgeven.” In de decennia daarna zag Netjes de provincie veranderen. Er kwam meer geld beschikbaar voor regio’s als Steenwijk, Hardenberg en Twente. „Tegenwoordig hebben alle wethouders de 06-nummers van de gedeputeerden op zak. In de jaren negentig was dat onbestaanbaar.”

Lees ook: De zwerftocht van Naya de wolf: een reisdagboek

Menselijke maat

Geboren in het confessionele Kampen, lange tijd werkzaam in de Noordoostpolder – tussen 1962 en 1986 ook Overijssel – en daarna wonend in het Twentse Haaksbergen en uiteindelijk Steenwijk, mag Netjes zich een echte Overijsselaar noemen. Hij noemt de provincie „het Toscane van Nederland”, vanwege de ruimtelijke en heuvelachtige ligging.

Volgens hem is wat de provincie echt kenmerkt het naar elkaar omkijken en helpen. „Overal waar ik woonde en werkte, zag ik dat terugkomen: contact met de buren, het rijke verenigingsleven – elkaar helpen op een menselijke maat.”

In Welsum vind je die menselijke maat in de Molsbuurt, aan de rand van het dorp. Daar staat de boerderij van Jetse en Willemien Hartmans. Het pand ligt nét in Gelderland, de provinciegrens gaat dwars over het erf.

Binnen verwarmt een kachel de hoge keuken, aan de muur hangt een stadsgezicht van Deventer. Rond 2000 verruilde het stel hun akkerbouwbedrijf in Flevoland voor Welsum. „In de eerste dagen dat we hier woonden, kwamen de buren langs”, vertelt Jetse. „Ze zeiden: ‘Jullie wonen in Gelderland, maar jullie horen bij de buurt en dús bij Welsum.’” Sindsdien heeft het stel vooral contacten opgebouwd in het Overijsselse dorp.

„En het klopt”, zegt Jetse. „Ik ben voorzitter van het dorpshuis geweest, mijn kaartclub is hier. Er is een lief-en-leedpot, om mensen wat cadeau te doen in slechte tijden.”

„Dat naar elkaar om kijken, dat herken ik van vroeger”, vertelt Willemien. „Ik ben opgegroeid in de Achterhoek en daar was dat ook, het is typisch Oost-Nederlands. Qua taal lijkt het Sallands ook erg op het Achterhoeks.” Na dertig jaar in Flevoland Nederlands gepraat te hebben, kwam ze in Welsum en kon ze meteen weer plat praten. Ze was thuis. „Ik snap nu eindelijk hoe de Basken zich voelen.”

Correctie (21-02-2019): In een eerdere versie van dit artikel stond dat Welsum het enige dorp ten westen van de zuidelijke IJssel is. Dit klopt niet en is aangepast. Ook stond er dat Salland in het oosten van Overijssel ligt. Dit moet in het westen zijn.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.