Zeperd voor Brussel in strijd tegen fiscale deals

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week Europees recht.

Wikimedia

Een goed vestigingsklimaat voor multinationals, dat stond de Belgische regering voor ogen toen ze in 2005 de excess profit exemption introduceerde. Met deze regeling konden grote ondernemingen aanspraak maken op gedeeltelijke vrijstelling van winstbelasting bij grensoverschrijdende transacties tussen moederconcern en dochters. Met tientallen ondernemingen, waaronder AB InBev (bier), Atlas Copco (machines), BASF (chemie), Magnetrol (meetapparatuur) en Proximus (telecom, destijds Belgacom), werden afspraken over vrijstelling van belasting op overwinst gemaakt, tot de regeling in 2014 sneuvelde bij een belastingherziening.

Anderhalf jaar later, in januari 2016, bestempelde de Europese Commissie de fiscale deals als „verboden staatssteun”. Zij gelastte de Belgische regering om van 55 multinationals in totaal 900 miljoen euro terug te vorderen over de jaren 2005-2014. België en begunstigde bedrijven gingen in beroep bij het Gerecht van de Europese Unie, onderdeel van het Europees Hof van Justitie. Volgens hen had de Europese Commissie zich niet mogen bemoeien met deze directe belastingen, omdat die onder de fiscale autonomie van lidstaten vallen. Bovendien zou de Commissie regels over staatssteun verkeerd hebben toegepast.

Op het eerste punt gaf het EU-Gerecht hun vorige week geen gelijk. De Commissie is, aldus het Gerecht, bevoegd fiscale deals te onderzoeken om concurrentievervalsing te verijdelen. Met hun tweede bezwaar boekten ze wel succes, want volgens het Gerecht was de Commissie er niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat staatssteunregels waren geschonden. Daarmee haalde het een streep door de beslissing van de Commissie van drie jaar geleden. Die heeft twee maanden om in hoger beroep te gaan.

curia.europa.eu: ECLI:EU:T:2019:91