Toverfee

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 17: flessenpost voor de wijting.

Zodra de eerste magnoliaknoppen naar buiten ploppen, slaat de viskoorts toe. Pieren, havenhoofden, strekdammen, ze lopen al vol, visfora berichten over vrolijke vangsten, en ik besluit ook maar m’n molens in te vetten. Met dikke wormen in een ouwe krant reis ik af naar het Calandkanaal aan de Europoort. De zon schittert maar de wind is guur. Omringd door rokende fabriekspijpen werp ik m’n lijn uit. Verderop schenkt een oude visser met biefstukwangen hete zwarte koffie uit een thermoskan, een ander neemt een slok jenever uit z’n heupflacon. Grote, volgeladen containerschepen varen voorbij, sommige toeteren. Het leven is mooi.

Ja, het leven is mooi maar de vangsten zijn mager. Een enkele schar, botje, wijtinkje, klein spul. Meer hengels dan vissen, er klinkt gemopper.

Maar dan, ineens, voel ik het trekken. Snel draai ik binnen, en wat spartelt daar: een kleine wijting. M’n eerste en enige vangst vandaag. Ik omklem de vis bij de kieuwen, wentel ’t in ’t schijnsel, en kan m’n ogen haast niet geloven: het geeft regenbooglicht! Snel maak ik een paar kiekjes, de vissers gluren met spottende blik, ik weet wat ze denken: stakker, niks gewend, vis voor de poes, haha!

Want ja, voor wijting wordt de neus opgehaald, te min, te goedkoop, men wil kabeljauw, tong, baars, schol, gul, dat spul.

Maar wat een dwaling! Ik heb hier goddomme een toverfee in m’n handen!

’s Avonds zoek ik een kurkfles en pak pen en papier:

„Lieve Merlangius merlangus, je zomers gebloemte, je winters kristal, ik verdrink in je grote blauwe ogen, streel je zilverroze flanken, je parelmoeren rug, kus de moedervlek op je borst, je bent een toverfee, maar niemand ziet het, ze lusten je niet, beminnen je niet, hoon is jouw deel, de uilskuikens. Ze werpen je uit voor die grauwe kabeljauw, stoppen je weg in vette lekkerbek, graten en kop voor de poezenbek. Daarom lieve, mooie toverfee, dit is niet jouw oord, luister en doe er goed aan: verlaat de Hollandse oevers! Vlucht naar de Franse kust! Ja, ik weet, fransozen zijn vals en hebzuchtig, willen onze vriendelijke pulsen verbannen, maar lieve toverfee, met je mooie, blauwe ogen, het zijn wel de fransozen die jouw sieraad zien, jouw diamant op handen dragen, jou beminnen en de liefde toedragen. Ga naar het land van de gourmands en bon vivants, ze balsemen je in met kruidenboeketten uit de Provence, laten je slapen op een bed van jeneverbes en nootmuskaat, laten je zwemmen in een beekje van kersenlikeur en druivensap, heel veel druivensap, poisson sans boisson est poison. Dus ga, lieve toverfee, ga en wees gelukkig!”

Ergens op ’t Calandkanaal dobbert een eenzame fles.