Opinie

Juist als ‘struikroverij’ algemene praktijk is, deugt het niet

notarissen

Commentaar

Tientjeswerk, meer was het niet. Een notaris in de buurt van Leiden bleek in 2015 bepaalde kosten in rekening te brengen bij klanten die helemaal niet gemaakt werden én hogere kosten dan de notaris zelf maakte voor zijn werk. Dankzij twee gedupeerden – een overheidsjurist en een beleidsmedewerker – met rechtvaardigheidsgevoel en bovenal doorzettingsvermogen, kwam de zaak aan het licht.

Hun relaas, zaterdag in NRC, is ontluisterend. De notaris in kwestie ging te werk als een kleine krabbelaar: als hij een hypotheek na verkoop van een huis bij het Kadaster moest ‘doorhalen’, bracht hij daarvoor 74 euro in rekening bij zijn cliënt. In plaats van de doorhaling ook daadwerkelijk te doen, spaarde hij vele doorhalingen op, 38 in totaal, en diende hij bij het Kadaster één zogenoemde verzamelakte in. Zo betaalde de notaris maar één keer de kosten van het doorhalen (74 euro), en streek hij 37 keer 74 euro op: 2.738 euro winst voor de notaris. En niet alleen voor hem, uit meerdere verhalen blijkt dat deze praktijk wijdverbreid was.

Kort en goed: deze manier van handelen is frauduleus en verdient dus een bestraffing. Het optreden van de Koninklijke Notariële Broederschap in deze verdient dan ook lof. Toen de zaak bekend werd, bestempelde de broederschap de praktijken als „onacceptabel”, „ethisch gezien onjuist” en „zelfs fout”.

Anders ligt het bij de driehoofdige Kamer voor het Notariaat, het tuchtcollege dat deze zaak behandelde. Die keurde weliswaar de geconstateerde fraude af, maar zag af van het opleggen van een sanctie, omdat de declaratiepraktijk „geenszins ongebruikelijk” is en „breed (wordt) toegepast”. Ronduit beschamend is het dat de notaris die in de Kamer zitting had, zich in zijn eigen praktijk aan exact dezelfde frauduleuze handelingen had schuldig gemaakt.

Het is niet voor het eerst dat een notaris het beeld bevestigt een graaier te zijn die met een minimum aan werk een maximum aan inkomen verdient. Daarom werd in 1999 de wet op het notarisambt aangepast, met als doel om het gesloten bolwerk van notarissen open te breken. Zo kwam er een liberaler benoemings- en vestigingsbeleid, mochten notarissen ook buiten hun eigen ‘arrondissement’ ambtshandelingen verrichten en werden de tarieven geleidelijk vrijgelaten. Het bracht de noodzakelijke concurrentie in het notarisvak, waarvan met name de consument profiteerde in de vorm van lagere tarieven.

Maar met de tucht van de markt kwamen nieuwe verleidingen. Zie het Leidse voorbeeld. Door geen sanctie op te leggen aan de notaris, maar het bij een beslissing te laten, dupeert de Kamer cliënten, waar die zich juist beschermd zouden moeten weten door deze tuchtrechter. Ook schaadt de Kamer het aanzien van de hele beroepsgroep, door deze vorm van „struikroverij” (dixit een notarieel deskundige), onbestraft te laten. Die cliënten, behoudens de klagers die hun geld terugkregen, hebben het nakijken. Sterker nog, zij weten waarschijnlijk niet eens dat zij benadeeld zijn: de gemaakte fouten werden pas zichtbaar na diep zoeken in de krochten van Kadaster en aktes.

Om de notaris kun je niet heen. Wie een huis koopt, een huwelijk sluit of ontbindt of een bedrijf wil oprichten móet langs. Dat is wettelijk vastgelegd. Des te belangrijker is het dat notarissen hun ambt onberispelijk en transparant uitoefenen. En dat de interne toezichthouder doet waar hij voor is aangesteld: normen aanscherpen en niet overschrijdingen achteraf goedpraten. In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.