Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Sleutel

Sinds mijn moeder officieel vasculaire dementie en beginnende alzheimer heeft was er een circus van hulpverleners haar kant op gedirigeerd. „Alsof ze op een knop gedrukt hebben”, zei ze. „En dat terwijl ik nog precies dezelfde ben. Ik heb nog nooit zoveel afspraken gehad. De tafel ligt vol briefjes.”

Twee avonden later stond ik om tien uur ’s avonds voor haar deur. Ik had een lezing gegeven in een voetbalkantine (nooit meer) in de buurt. Omdat ik haar sleutel was vergeten zou zij volgens afspraak opendoen, maar op de deurbel en mijn telefoontjes werd niet gereageerd. Ik klopte op ramen, probeerde over de schutting te klimmen en belde ten slotte mijn broer die wist dat in het verpleegcentrum voor ouderen met dementie sinds kort een extra sleutel van haar woning werd bewaard.

Die kwamen ze brengen, wachttijd ongeveer veertig minuten. Ik kreeg op straat gezelschap van een buurvrouw die maar bleef herhalen dat ze alles wat ik over mijn moeder schrijf leest. „Dit ga ik zeker teruglezen, toch?”

Een andere buurtbewoner, ik kende hem nog niet, was de hond aan het uitlaten. Hij was timmerman geweest en wilde met alle plezier de voordeur eruit halen. „Gaat hij er wel nooit meer in.”

De buurvrouw: „Dan wordt het helemaal een stukje.”

Even later waren we met vier, want er kwam er ook nog eentje informeren of er iets ergs was gebeurd. „Nog niet”, zei de buurvrouw, „vooralsnog is het een stukje.”

We hoorden de telefoon binnen loeien. „Dat is mijn broer”, zei ik, „die probeert haar nu ook te bellen”.

Daar was de hulpverleenster van het verpleegcentrum, een vrouw die vaker voor dichte deuren had gestaan. Toen ze zeker wist dat ik ‘de zoon’ was gingen we naar binnen.

Zij voorop, ‘hallo’ roepend.

In de woonkamer lag niemand, op het toilet ook niet.

We troffen mijn moeder in haar bed, zacht snurkend.

De hulpverleenster: „Moesje slaapt.”

‘Moesje’, zo noemden we haar nooit.

Ze verspreidde het goede nieuws aan de groep op straat en scheurde daarna weg in haar Volkswagen Polo.

Nadat ik thee had gezet kwam mijn moeder de kamer binnen. „Wat maak jij een lawaai”, zei ze.

Lang verhaal kort: ze had zich slapend gehouden omdat ze geen zin had in ‘poespas’. Nog voordat ik daarop kon antwoorden stak ze zichzelf een veer in de bips. „Vind je niet dat ik het goed geregeld heb? Ik was vergeten dat je geen sleutel bij je had, maar op deze manier kon je toch naar binnen.”

Ze tipte om voortaan met een sleutel te komen.

„Bewaar ’m op een vaste plaats. Dat zeggen ze tegen mij ook de hele dag. Heel vervelend, weet jij ook eens hoe dat voelt.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.