Ministerie berispte D66’er Bouali

Integriteit Kamerlid Achraf Bouali (D66) blijkt als diplomaat ernstig te zijn berispt. Dat maakt hem kwetsbaar volgens deskundigen.

Toenmalig fractievoorzitter Alexander Pechtold en Kamerlid Achraf Bouali op weg naar een fractievergadering van D66, in mei 2017.
Toenmalig fractievoorzitter Alexander Pechtold en Kamerlid Achraf Bouali op weg naar een fractievergadering van D66, in mei 2017. Foto ANP

Tweede Kamerlid Achraf Bouali (D66) is na zijn verkiezing als volksvertegenwoordiger in 2017 een disciplinaire maatregel opgelegd. Dat gebeurde na een integriteitsonderzoek door zijn vorige werkgever, het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het onderzoek vond plaats toen hij werkte als plaatsvervangend ambassadeur op de Nederlandse ambassade in Havana, Cuba. Daar werden begin februari 2017 forse klachten over hem ingediend bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een interne commissie deed onderzoek en verklaarde een deel van de klachten gegrond. Dat gebeurde daags nadat Bouali was gekozen als Tweede Kamerlid, 15 maart 2017. Dat verklaren bronnen binnen en buiten het ministerie met kennis van deze zaak aan NRC.

De zaak kan Bouali’s functioneren als volksvertegenwoordiger belemmeren. Bouali voert namens D66 het woord over buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking. Dat valt onder hetzelfde ministerie dat hem sanctioneerde. Bouali dient in zijn functie de regering – en in het bijzonder de minister op zijn terrein – te controleren. Dat is zijn partijgenoot Sigrid Kaag. Als verantwoordelijke minister is Kaag op de hoogte van Bouali’s berisping, die tot heden publiekelijk niet bekend is.

„Dat Kaag kennis heeft over Bouali, terwijl ze veel contact hebben, kan de schijn wekken van beïnvloeding”, zegt Douwe Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en gespecialiseerd in dualisme. „Het vormt een risico, want het maakt iemand potentieel chantabel. Het Kamerlid is kwetsbaar omdat de minister en anderen iets van hem weten wat niet algemeen bekend is.” Elzinga voegt daaraan toe dat de mate van belemmering afhangt van de precieze aard van de feiten. „De kans op onzuivere verhoudingen verdwijnt pas als maximaal duidelijk is wat zich precies heeft afgespeeld.”

Autoritaire leiderschapsstijl

Welke klachten gegrond werden verklaard, is niet te zeggen. Het rapport is vertrouwelijk. Wel staat vast dat Bouali werd berispt vanwege zijn autoritaire stijl van leidinggeven. Een terugkeer naar het ministerie kan alleen met „ondersteuning” in de vorm van „coaching”, schrijft het ministerie in een brief met daarin de conclusies van het onderzoek, die deels is ingezien door NRC. Zo’n maatregel „is bedoeld om af te dwingen dat een medewerker zijn of haar gedrag aanpast”, aldus het ministerie in antwoord op schriftelijke vragen van NRC.

Rijksambtenaren die de politiek ingaan, krijgen van het ministerie een terugkeergarantie. Mocht Bouali na zijn termijn als Tweede Kamerlid gebruik maken van die optie, dan is de sanctie onverminderd van kracht en is hij verplicht de opgelegde coaching te aanvaarden.

Achraf Bouali zelf ziet het integriteitsonderzoek niet als een probleem voor zijn functioneren als volksvertegenwoordiger. „Ik heb een campagnemedewerker van D66 ingelicht toen het onderzoek liep, en de fractievoorzitter nadat de conclusies bekend werden”, zegt hij. In 2017 was Alexander Pechtold nog fractievoorzitter. Na het aantreden van Rob Jetten in september 2018 heeft hij ook Jetten op de hoogte gesteld, zegt hij. „Daarna is er niet meer over gesproken.”

Volgens D66 staat het integriteitsonderzoek „zijn huidig functioneren niet in de weg”. In een schriftelijke reactie laat de partij weten dat „kritiek op de stijl van leidinggeven van Bouali in zijn vorige functie is onderzocht en afgehandeld”. Het onderzoek kwam aan het licht lang nadat de selectie voor Tweede Kamerleden was afgerond, de conclusies werden bekend toen Bouali al verkozen was. Een integriteitsrichtlijn kan de partij niet overleggen.

Omgang met klokkenluiders

De zaak Bouali laat zien hoe het ministerie van Buitenlandse Zaken omgaat met klokkenluiders. Het ministerie zegt publiekelijk dat integriteit „een speerpunt” is en dat medewerkers zich vrij kunnen voelen om misstanden te melden. Maar Bouali kreeg het onderzoeksrapport over hem in handen, mét daarin de namen van de klokkenluiders. Dat maakt de positie van melders kwetsbaar, zeker vanwege de terugkeergarantie van Bouali.

In antwoord op schriftelijke vragen van NRC schrijft het ministerie dat dit beleid is „wanneer het voornemen bestaat tot het opleggen van een maatregel”. Deskundigen zijn kritisch op die mate van openheid over de identiteit van klokkenluiders. „Wanneer het een integriteitskwestie betreft, moet een werkgever melders van misstanden beschermen”, zegt Hans van den Heuvel, emeritus hoogleraar integriteit aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Het is onoorbaar als een werkgever daar niet prudent mee omgaat.”

Ook kregen de melders niet te horen dat hun klachten gegrond waren verklaard en welke maatregel het ministerie Bouali oplegde. Dat is niet voor het eerst. In september 2018 publiceerde NRC een onderzoek, in samenwerking met Reporter Radio, waaruit bleek dat melders van misstanden niet geïnformeerd werden over de sanctie die een andere berispte ambtenaar kreeg opgelegd. Die ambtenaar, die werkte met vrouwenrechten en werd gesanctioneerd wegens onder meer seksuele intimidatie en financieel machtsmisbruik, ging weer aan het werk bij een afdeling waar hij nog steeds meepraat over vrouwenrechten. Deze ambtenaar kreeg, net als Bouali, een verplicht coachingstraject opgelegd.

Het is precies dat ‘functie-roulatiesysteem’ dat het melden van misstanden in de weg staat. In organisaties waar mensen snel wisselen van positie, zoals bij BZ of binnen de krijgsmacht, bestaat het risico dat mensen geen meldingen durven doen, uit angst dat ze hun kwelgeesten later op een andere positie weer tegenkomen. Leidinggevenden die tegen een misstand aanlopen, laten dat sneller over aan hun opvolger – omdat ze er toch maar een korte tijd zitten.

Lees ook: Pechtold beschouwt gift appartement als privékwestie