In het jonge Flevoland lijkt alles eindeloos

Identiteit provincies Vijf stemmen verschil in de Eerste Kamer en Flevoland had niet bestaan. Want de vrees in 1985 was dat het ingepolderde land als zelfstandige provincie niet levensvatbaar zou zijn. Inmiddels wonen er ruim 400.000 mensen. Wat bindt hen? Op zoek naar de identiteit van de twaalfde provincie.

Biddingringweg, bij Biddinghuizen in de Flevopolder.
Biddingringweg, bij Biddinghuizen in de Flevopolder. Foto Bram Petraeus

Als je het zuiden van de Flevopolder in de lengte zou opdelen, dan was lijn 159 de vouwlijn. In een kaarsrechte lijn glijdt de bus op een vrijdagochtend over de Vogelweg, langs eindeloze weilanden, in de verte boerderijen, de wieken van de windmolens in de dichte mist. Net voorbij halte Paradijsvogelweg is een zwerm ganzen neergestreken.

„Hier”, zegt Linda van den Berg, „is Flevoland goed in: de ruimte”.

Op de bus komt Van den Berg (29) overal, van Urk tot Lelystad, van de boerenbedrijven in de Noordoostpolder tot de vinexwijken rond Almere. „Ik ken alle accenten. Ik pas me altijd aan. Alleen Fries kan ik niet.”

Gaan de deuren open, dan hoor je het tot achterin: „Goedemorgen!”

Bij elke hond: „Hé woefie!”

Zou het minder grijs zijn, dan zag je op de N706 de volgende vier haltes al liggen. Maar saai? „In de stad rijden, dat is saai. Hier heb je de tijd om met iedereen een praatje maken.”

Voor de op twee na kleinste provincie van Nederland kan Flevoland opvallend eindeloos lijken. In de bus ervaar je dat misschien wel het sterkst, als het landschap zich steeds kopieert, een totale provincie achteloos voorbij rolt, de bus op ogenschijnlijk willekeurige plekken stopt.

Maar willekeurig is in Flevoland natuurlijk niets, de wegen met de liniaal getrokken, elke boom zorgvuldig geplant. Of juist alles, omdat het er bij een andere keuze zo anders had kunnen uitzien.

Vijf stemmen verschil in de Eerste Kamer en de provincie was er nooit geweest. Senatoren, ook van coalitiepartijen CDA en VVD, waren in 1985 uiterst sceptisch, bang dat de twaalfde provincie niet levensvatbaar zou zijn. De reden dat een nipte meerderheid zich toch liet overtuigen: het ontbreken van een beter alternatief voor de drooggelegde stukken land.

Zo ontstond Flevoland: de klei fier veroverd op de zee, maar als provincie nog altijd los zand. „Ik heb nog nooit iemand horen zeggen: ik ben een Flevolander”, zegt Wim Derksen, emeritus hoogleraar bestuurskunde. Vraag het in de Noordoostpolder, en ze wijzen naar Overijssel, ga naar Almere en men trekt naar Amsterdam. In Zeewolde kijken ze naar Harderwijk, in Dronten naar Zwolle. „Alleen Lelystad hoort nergens bij. Voor de rest zou je Flevoland prima kunnen opdelen.”

Zelfs ‘de polder’ kan Flevoland geen identiteit geven: heel Nederland bestaat uit polders, die we soms nauwelijks nog herkennen. Het leidde tot Derksens conclusie, toen hij twee jaar geleden voor de Cornelis Lelylezing gevraagd werd het bestaansrecht van de twaalfde provincie te beschouwen: „Het geheel is hier niet méér dan de som der delen, maar juist minder. Het geheel is eerder een last.”

Calimerogevoelens

Vraag je Bert de Haan (54) naar ‘zijn provincie’, dan haalt hij zijn schouders op en citeert hij Paul Young: ‘Wherever I Lay My Hat, That’s My Home.’ Zijn hoed ligt inmiddels in Tollebeek, een van de tien dorpen die in de Noordoostpolder met de passer om Emmeloord heen werden getrokken. Toen hij onlangs een fiets ging kopen, zei hij tegen de verkoper: „Ik woon ergens waar ze geen bochten hebben.”

Hij vertelt erover terwijl hij zijn bus de Ketelbrug afrijdt, de Noordoostpolder in. Ja, zijn vader, die weet álles van dit gebied, heeft eraan meegebouwd, kan alle kavels met nummer nog opnoemen. „Ik voel me niks”, zegt De Haan. Maar dit kan hij wel vertellen: aan de overkant van de brug is het anders. „Hier is het veel gemoedelijker, in het andere deel is het meer het westerse.”

Van de Friese Sluis bij Lemmer tot aan de Hollandse Brug bij Muiden is er weinig wat alle Flevolanders bijeenhoudt. Natuurlijk: er zijn meer provincies waar een duidelijke identiteit ontbreekt. Maar in Flevoland zijn de verschillen extremer, alleen al omdat het land in leeftijd verschilt, de Noordoostpolder is bijna dertig jaar ouder dan de zuidelijke Flevopolder.

De
Dodaarsweg

Foto Bram Petraeus
De Vogelweg
Foto Bram Petraeus
De Biddingringweg, bij Biddinghuizen.
Foto Bram Petraeus

Eva Vriend kent in elk geval één punt waarop alle Flevolanders overeen komen. „Iedereen die hierheen komt moet zich verantwoorden.” Ook zij, geboren in Emmeloord, moet op verjaardagen in de Randstad voortdurend uitleggen waarom ze daar „in vredesnaam weer is gaan wonen”.

Terwijl: ooit werkte de polder als een magneet op gelukszoekers, was een boerderij een lot uit de loterij. Haar grootouders doorstonden de zware selectie en kregen in 1952 een kavel toegewezen. In Het Nieuwe Land beschrijft Vriend, historica en journalist, die geschiedenis, over een provincie waar de maakbare samenleving in de praktijk werd gebracht, waar alleen de besten van de besten mochten komen wonen.

Lees ook: De toerist heeft nu ook de ‘suburbs’ van Amsterdam ontdekt: Almere

Maar de trots veranderde in schaamte, of in elk geval in calimerogevoelens. Flevoland is geen plek meer waar je je op laat voorstaan, maar waar je terechtkomt. Er komen nog steeds genoeg mensen: Almere en Lelystad blijven groeien, in inwonersaantal is Flevoland Zeeland voorbij. Maar voor voorzieningen trekt iedereen naar buiten de provincie: Zwolle, Harderwijk, Amsterdam. „Als je iets leuks wilt doen, ga je niet naar Lelystad”, zegt Vriend.

En nu is er daar zelfs geen ziekenhuis meer.

Dóórrijden

Noem een plek in Nederland, en Jeffrey Naber vertelt je direct de verkeerssituatie. Rond Nijmegen: vreselijk geregeld. Ook altijd gezeik: de A2, tussen Utrecht en Nieuwegein. Toen hij nog als vertegenwoordiger werkte, kwam Naber (41) door het hele land. „Ik durf te beweren dat Lelystad de beste infrastructuur van het land heeft”, zegt hij, terwijl hij bus 147 de N305 richting Dronten opstuurt. „Bijna geen stoplichten, veel rotondes.”

Het was de rust, waarvoor hij ooit vanuit de Amsterdamse Pijp naar Flevoland verhuisde. Eerst Almere, nu Lelystad. „Veel relaxter. Almere gaat steeds meer op een grote stad lijken. Hutjemutje. Elke open plek wordt dicht gebouwd.”

Dóórrijden, zoals je in Flevoland kunt, waar kun je dat nog? „Die lange rechte stukken. Ik krijg hier een gevoel van vrijheid.” Naber moet weinig hebben van Europa, multinationals, het kartel in de media: die tasten zelfstandigheid aan. Maar rechts of links is hij niet. De balans, die is volgens hem het belangrijkst. Hij wijst naar de boompjes, allemaal kaarsrecht op een rij. „Wat ik hier minder mooi vind, is dat je de mensenhand ziet. Het heeft hier geen ziel. Dat is anders dan in Drenthe of op de Veluwe.”

Zijn Flevolanders avontuurlijker, in de geest van de eerste pioniers die het nieuwe land bevolkten? Bestuurskundige Derksen lacht. „Onzin natuurlijk. Het zijn niet de meest creatieve mensen die zich in slaapsteden vestigen. De huisjes stonden klaar met tuintje, alleen een Gamma-schutting hoefde er nog op. Begrijp me niet verkeerd: je kunt daar heel gelukkig worden. Maar met pionieren heeft het niks te maken.”

Flevoland, zegt Derksen, is steeds verder genormaliseerd, tot de supergemiddelde provincie die het nu is. Met weinig uitschieters naar boven en onder, zelfs geen duidelijk centrum waarop iedereen zich oriënteert. Mensen stemmen er relatief iets vaker op een populistische partij: de PVV zit al sinds 2010 in de Almeerse gemeenteraad en was in 2015 de op een na grootste partij bij de provincieverkiezingen. Maar ook dat is niks bijzonders voor de witte middenklasse die de stad ontvluchtte, of eruit werd weggedrukt. Derksen: „In Almere zie je een constante volksverhuizing. Mensen zijn er niet gebonden aan huis of wijk, het meest misschien nog aan de school van hun kinderen.”

Een “fijne, veilige plek”

Buschauffeur Linda van den Berg durft het best te zeggen: zij hóúdt van deze provincie. Diep ongelukkig was ze in Grootebroek, West-Friesland, waar ze opgroeide. Er waren pesters, vrienden had ze nauwelijks. Maar in Emmeloord, haar ouders verhuisden er in 1999 naartoe, vond ze een „fijne, veilige plek”. „Daar ben ik opgebloeid.”

Verliefd werd ze in Lelystad, en nu woont ze nota bene op het werkeiland, het „allerbeginste van Lelystad”. „Wist je dat als de dijken breken, we helemaal onder zouden lopen? Helemaal, behalve waar ik en mijn vriend wonen!”

Voor haar bruiloft, dit voorjaar, wilde ze alles in Flevoland regelen. „Gewoon, om de mensen te steunen, de werkgelegenheid is hier al zo laag.” Dus komt de taart uit Urk, de jurk uit Lelystad, de filmer uit Ens. Alleen een geschikte fotograaf kon ze in de provincie niet vinden. Die komt van buiten.

Voetbalfans in Flevoland juichen doorgaans voor Ajax, PEC Zwolle of Heerenveen. Maar toen voetbalclub Almere City FC vorig jaar dreigde te promoveren naar de eredivisie, zag Eva Vriend even een levendige discussie ontstaan. „Zou dat dan de club moeten worden die wij als Flevoland steunen, vroeg men zich af. Dat was interessant, want dat zou echt een teken van samenhorigheid zijn.”

Maar Almere verloor van De Graafschap, de promotie ging niet door en inmiddels staat de club alweer elfde in de Keuken Kampioen Divisie.

De eenwording van Flevoland is nog even uitgesteld.

Correctie: In een eerdere versie van dit verhaal werd de voetbalclub FC Almere genoemd, de club heet Almere City FC. Dit is aangepast. Ook stond vermeld dat Flevoland de op een na kleinste provincie is, dat klopt niet. Na Utrecht en Limburg komt Flevoland op plek drie, als het wateroppervlak van de provincie althans wordt meegeteld. Dit is aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.