Elke wedstrijd weer op die reservebank moeten zitten

Reservekeepers Een reservedoelman voelt zich niet te goed om de bank warm te houden. Die is al blij dat hij mag trainen. „Je mag je hobby uitvoeren. Iets mooiers is er niet.”

Op 30 maart 2016, deze maandag 1.055 dagen geleden, stapte Mike Havekotte het kantoor van Fons Groenendijk binnen. „Ik ben er klaar voor”, zei de doelman tegen zijn trainer. Maar in de uitwedstrijd tegen Feyenoord een paar dagen later zat hij gewoon weer negentig minuten op de bank.

Vanaf die plek zag huidig ADO-doelman Havekotte (23) al ruim honderd wedstrijden in de eredivisie – welgeteld zeven minuten stond hij zelf onder de lat. Zelfs toen de eerste doelman onlangs geschorst was, werd een andere reservekeeper opgesteld. De ochtend na die wedstrijd tegen NAC Breda stond hij zoals altijd weer met de andere reserves op het trainingsveld.

En die koude en natte maandagavond daarop, terwijl de rest van de selectie vrij was, weer onder de lat bij het reserve-elftal. Hij maakte er een doelpunt, dat weer wel. Het was dat zijn goal gefilmd werd, anders waren er weinig getuigen.

Een week eerder had hij kort voor het einde van de wedstrijd – eindelijk – nog zijn eredivisiedebuut gemaakt, nadat Robert Zwinkels een rode kaart had gekregen. Zonder warming-up, direct een strafschop tegen. „Ik had de held kunnen worden door hem te pakken.” In blessuretijd volgde nog een tweede tegentreffer.

Keepers zijn gek, zei de Braziliaanse stervoetballer Romário eens. Wordt er gescoord, dan juichen ze in hun eentje. Verrichten ze een redding, dan doen ze hun werk. Maken ze een blunder, dan worden ze daar eeuwig aan herinnerd. Maar wat als je die kans niet eens krijgt?

Elke wedstrijd zitten er twee in beide dug-outs: de reservekeepers. Ze staan net als alle andere spelers dagelijks op het trainingsveld. Ze volgen hetzelfde trainingsschema, maar zonder de ultieme beloning aan het einde van de week: die negentig minuten voetbal, in een vol stadion. Ze zijn er wel bij, voor het geval dat. Maar zolang de eerste doelman overeind blijft, hoeven ze niet eens warm te lopen.

Mike Havekotte, reservekeeper van ADO Den Haag, op de bank tijdens de thuiswedstrijd tegen PEC Zwolle. Foto Olaf Kraak

Havekotte zag zijn concurrenten de afgelopen drie jaar veelvuldig geblesseerd raken, rode kaarten krijgen en fouten maken. Toch koos de trainer telkens voor een andere stand-in. Na zo’n tegenslag mag hij van zichzelf even wat minder gezellig zijn, chagrijnig rondlopen. Maar na een week moet de knop weer om. „Ik ben het er niet mee eens, maar je moet wel weer door.”

Lees ook het interview met oud-doelman John Achterberg: ‘Ik zie geen Nederlandse topkeepers meer’

Die kans komt wel

Want die kans, die krijgt hij „vroeg of laat” heus wel. En tot die tijd? Ervoor zorgen dat hij zichzelf in elk geval niets kan verwijten. Dat wil zeggen: leven als een eerste keeper. Trainen alsof je elke week moet spelen. Want doe je dat niet, waarom zou de trainer je dan ineens wél opstellen? Hard blijven werken, wachten op je kans. Er zit niets anders op.

„Juist als je tweede keeper bent moet je meer doen. Daar laat je je karakter zien, laat je zien dat je er staat”, zegt Edwin Zoetebier (48). Hij won in 2002 met Feyenoord de UEFA Cup, maar belandde een seizoen later na een blessure op de reservebank. Dan maar bij de beloften laten zien dat je het nog steeds kunt. Een keeper voelt zich daar niet te goed voor. Die is trots dat hij überhaupt voetballer is. „Je mag je hobby uitoefenen. Iets mooiers is er niet.”

Er zijn desondanks verhalen van keepers die zich niet kunnen schikken in een reserverol. Belgisch international Theo Custers speelde in 1982 het WK, terwijl hij een jaar daarvoor nog bij Helmond Sport keepte, dat onderin de eerste divisie bungelde. Niveau maakte hem niets uit, zolang hij maar kon spelen. En de Duitse doelman Lutz Pfannenstiel verkoos Maleisië in 1993 boven Bayern München. De kans dat hij in Beieren eerste doelman zou worden, was toch minimaal.

Dat wist ook Ronald Graafland (39), toen hij in 2010 naar Ajax ging. Toch koos hij ervoor om er derde keeper te worden. Eerder had hij een aanbod als eerste doelman bij eerstedivisionist RKC Waalwijk afgeslagen. In zeventien seizoenen – waarvan hij er zo’n vijf geblesseerd was – speelde Graafland nog geen honderd wedstrijden. Intussen bleef hij ook gewoon werken in de familiesnackbar. „Dan denk je: morgen kan ik weer lekker met mijn gezicht door de modder rollen.” Tussen Luis Suárez, Toby Alderweireld en Jan Vertonghen. Een training in Amsterdam was als een wedstrijd.

Mike Havekotte, reservedoelman van ADO Den Haag, blijft zijn motivatie vasthouden. „Ik heb nog een carrière van twaalf jaar te gaan, waarin ik genoeg wedstrijden ga spelen.” Foto Olaf Kraak

„Elke dag moet je op de top van je kunnen zijn. Je hebt geen rustmoment”, zegt Jeroen Verhoeven (38), die zijn vaste plek bij FC Volendam eveneens vaarwel zei voor de Amsterdamse bank. Ook zonder te spelen beleefde hij elke wedstrijd alsof hij zelf meedeed. Net als de kampioenschappen die hij er vierde. „Je bent overal bij betrokken. Bij trainingspartijen heb je altijd twee keepers nodig.”

Kampioenspremie op de loonstrook

Graafland, die nooit speelde bij Ajax: „En uiteindelijk stond er ook nog een kampioenspremie op de loonstrook.”

Lees ook: Voetbal en vaderschap: ‘Mijn spelers hebben maar papadag als ze vrij zijn’

Ook Kevin Begois (36) nam een reserverol bij PEC Zwolle in 2013 voor lief, en inmiddels vervult hij die bij FC Groningen. Terwijl die plek hem aan het begin van zijn carrière nog zwaar viel. Toen hij voor het eerst onder de lat vandaan werd gehaald, wilde hij daarna zo graag goed spelen dat hij fouten ging maken. „Dat was de grootste les in mijn carrière.”

Om zich in zijn „dienende rol” te kunnen schikken, heeft Begois zijn motivatie en doelen bijgesteld. Nu haalt hij er voldoening uit door de eerste doelman zo goed mogelijk te helpen, en zijn ervaring over te brengen aan jonge ploeggenoten. Hij kent iedere keeper uit de jeugdopleiding. Hij loopt er vast mee vooruit op een mogelijke trainerscarrière.

En die wedstrijden bij de beloften? „Zie dat niet als straf. Wees blij dat je die kans krijgt.”

Want veredelde potjes zijn het niet, op maandagavond. Ze bereiden je voor om de week erna te kunnen invallen. „Je kan niet met je vingers knippen en daartoe in staat zijn. Je moet in dat ritme zitten, volle bak je best doen”, zei Zoetebier tegen zichzelf toen hij reserve was.

Maar hoe gek keepers ook zijn, ook zij hebben grenzen. Ronald Graafland was nog vier jaar Feyenoorder, met als oogst één wedstrijd. „Een bedankwedstrijdje van Koeman”, omdat hij zich bleef inzetten. Tot Graafland na Koemans vertrek onder Fred Rutten de trainingskeeper werd, een schietschijf voor de afmakers in de selectie. „Om honderd keer naar de hoek te duiken.”

Zelfs een loyale reservekeeper kan zijn motivatie verliezen. Motivatie die ADO-doelman Mike Havekotte nog altijd heeft. „Ik heb nog een carrière van twaalf jaar te gaan, waarin ik genoeg wedstrijden ga spelen.”