Soms mogen politici liegen. Dan knikt vrijwel heel Den Haag goedkeurend

Deze week: speculeren in de Haagse binnenwereld over Rutte, Brussel, de VVD, het kabinet.

Ofwel: als politici van elkaar accepteren dat ze in sommige situaties onwaarheid mogen spreken.

Elke politieke cultuur kent zijn kronkels. In Den Haag is dat: falen is eigenlijk niet zo’n punt. Geld aan verkeerde dingen uitgeven, onuitvoerbare plannen introduceren, beleid lanceren dat heel anders uitpakt dan beloofd – met excuses kom je er meestal wel mee weg.

Daarna volgt een ‘verbetertraject’, een ‘taskforce’, een belofte: zal nooit meer gebeuren.

En dat is het dan.

Maar wat in Den Haag beslist niet mag: de Kamer onjuist informeren. Kan niet. Rode lijn. Verboten.

Dus als het parlement verkeerd blijkt te zijn ingelicht over de slonzige archivering, dertien jaar geleden, van een of ander documentje, dan weten we meteen welke woorden gaan vallen: schandalig, onaanvaardbaar – opstappen.

Nu is een van de ongemakkelijkste verschijnselen van de moderne politieke cultuur dat op deze regel één uitzondering is ontstaan: als een politicus wil vertrekken, of dat al heeft besloten, mogen hij (m/v) en zijn entourage daarover tegen iedereen liegen.

Zeker tegen de media.

Over dit laatste klaagt bijna niemand meer. Zelfs concurrerende politici vinden het acceptabel dat een collega zijn aanstaande vertrek maskeert.

Redenering: zodra je voedsel geeft aan verhalen over je afscheid, is het hek van de dam. Dus dan maar liegen.

En nu zitten we met Rutte. Deze week in Zürich zijn derde toespraak in korte tijd over de toekomst van de EU. En vijf (!) interviews daarover in gezichtsbepalende Europese kranten – de FT, Le Monde, de Süddeutsche, de Neue Zürcher Zeitung, El Pais.

Je hoefde geen Europa-deskundige te zijn om te voorzien waar die kranten over zouden schrijven: zijn mogelijke overstap naar Brussel. Uiteraard zei Rutte nee.

Maar wat dát waard is?

De oplettende lezer weet misschien nog, het was best pijnlijk, dat deze rubriek vorig jaar een maand zijn consistentie kwijt was.

Dit zat zo. In de nazomer liep ik D66-prominenten tegen het lijf, en daaruit bleek: Pechtold ging de politiek verlaten.

Zo gebeurde het dat 8 september 2018 op deze pagina stond dat de D66-voorman „op het punt van vertrek” stond.

Maar de weken daarna werd ik voorzichtiger. Hij zou twijfelen. Rutte zou op hem hebben ingepraat. Etc.

Verhaaltjes die ik op de mouw gespeld kreeg, want inderdaad: achteraf bleek dat in de nazomer al ruimer bekend was dat hij 6 oktober ging vertrekken – wat gebeurde.

Achteraf hoorde je óók dat andere verslaggevers halve waarheden of leugens over het vertrek verkocht kregen.

En ik weet nog hoe de vertrokken D66-leider op me afliep, kort nadat Rob Jetten als opvolger was gepresenteerd. „Je had bij je eerste verhaal moeten blijven, hè?”

Het dilemma met Rutte is vergelijkbaar. De hele week kon je VVD-prominenten spreken die zeker wisten: nee hoor, Mark wil niet naar Brussel, allemaal praatjes, hij gaat echt niet weg, ik durf het te wedden.

Sterker: ook in andere partijen – coalitie, oppositie – domineert de overtuiging dat hij niet uit is op een Europese topfunctie.

Het contrast met de laatste twee semi-openbare sollicitaties van premiers naar Brusselse topbanen (Lubbers 1994; Balkenende 2009) is erg groot.

Toen waren media en politici maanden overtuigd van de Nederlandse kansen, hoewel achteraf in beide gevallen bleek dat die kansen er nooit waren.

En nu is ieders onuitgesproken overtuiging: als Rutte wil, moet hij alles ontkennen.

Maar ook hoor je: door belangstelling voor een Brusselse functie te suggereren vergroot Rutte – heel slim – zijn aanzien in de Europese Raad. Goed voor Nederland.

En je hoort, in de VVD en daarbuiten, dat Rutte met zijn toespraak binnenlandse politiek bedreef: hij keert zich tegen eurosceptici in de eigen partij én tegen minister en CDA-kroonprins Wopke Hoekstra (Financiën), die in Brussel iets te gretig de euro-sceptische trom zou roeren.

Maar uit alle speculatieve gesprekjes en appjes hechtte ik uiteindelijk het meeste geloof aan de Rutte-vertrouweling die zei: Mark zou de Europese Commissie graag leiden (niet de Raad – te saai) maar: alleen als hij gevraagd wordt; en: alleen als er op dat moment geen kabinet is.

Tegelijk bleef het ongemakkelijk dat in bijna alle speculaties de aanname overheerste dat het voor hem loont de verkeerde indruk te wekken.

Openheid, officieel een authentiek oogmerk, gedegradeerd tot politiek instrument.

Nooit zeggen hoe het zit. Alleen zeggen wat het beste uitkomt.

Het riep, als je alle overwegingen dacht te kennen, nog een ongemakkelijke vraag op: draait de politiek, alle politiek, voortaan niet te veel om de belangen van leiders, en te weinig om de belangen van hun partijen, van hun regering – van de democratie zelf?

Neem alleen de VVD. Deze week bleek dat die partij, sinds 2010 de grootste Kamerfractie, in 2010-2019 terugviel van 36.000 naar 25.000 leden.

Ik dacht: stel je voor wat er gebeurt als diezelfde VVD Rutte kwijtraakt – en daarmee het premierschap.

Dan kan die partij in een paar jaar krimpen beneden het niveau van de Partij voor de Dieren (17.000 leden): dan kunnen ze niet eens meer kandidaten voor alle gemeenteraden vinden.

Het VVD-leiderschap, ook zoiets. In de partij circuleerden de laatste jaren twee namen van kandidaat-opvolgers: Edith Schippers en Klaas Dijkhoff.

Schippers begon onlangs als bestuursvoorzitter van DSM. Over Dijkhoff hoor je nu in de partijtop: hij wil zelf ook niet.

Dus: in feite heeft de VVD niemand voor de opvolging.

Dan nog de coalitie. Die valt ogenblikkelijk uit elkaar bij een onverwacht vertrek van Rutte.

En het is natuurlijk mogelijk dat we over drie jaar zeggen: we hebben in Klaver, De Jonge of Kaag een waardige opvolger – niemand weet wat het Torentje met een politicus doet.

Maar voorlopig is de vraag reëel of Den Haag überhaupt een opvolger kan produceren die, net als Rutte, in dit gefragmenteerde landschap over de volle breedte – van GroenLinks tot en met de SGP – zaken weet te doen.

Het legt twee dilemma’s bloot. De afhankelijkheid van politiek leiders in combinatie met de partijpolitieke fragmentatie, illustreert dat het fundament onder de democratie erg fragiel is geworden.

Het betekent dat middenpartijen móeten gaan nadenken over blokvorming of andere lichte samenwerking, omdat ze anders door hun hoeven dreigen te zakken.

Denk aan: CDA met D66. VVD met D66. VVD met CDA. GroenLinks met D66. Groenlinks met PvdA. PvdA met SP. Alle leiders zijn tegen bubbels: laat maar zien dan.

Principiële bezwaren zijn er vast, zeker in campagnetijd. Maar als de grootste partij van het land zó afhankelijk is van één man, kan iedereen begrijpen dat vergelijkbare risico’s voor veel meer partijen opgaan.

Het andere is dat het cultuurtje van halve waarheden inzake de persoonlijke ambities van politiek leiders niet meer kan.

Ik zeg niet dat Rutte liegt over zijn Europese toekomst. Geen idee.

Maar het punt is: door dat cultuurtje zóu hij dit vrijwel straffeloos kunnen doen. Hij zou er niet eens gevolgen van ondervinden.

Maar voor Nederland kunnen de gevolgen nogal groot zijn – en je hoopt dat elke politicus ervan leert dat ze de verheimelijking van persoonlijke ambities nooit meer goed horen te praten.

Daarvoor zijn de risico’s veel te groot – voor hun partijen, voor de coalitie, ja: voor de hele democratie.