Met een snorkel overleven cicades in hun schuimnest

Biologie Om niet te verdrinken in hun eigen schuimnest, steken jonge cicaden hun achterlijf naar buiten.

Een cicade bivakkeert op een bieslookplant. Onderaan is het ‘spuug’ te zien.
Een cicade bivakkeert op een bieslookplant. Onderaan is het ‘spuug’ te zien. Foto Mary Stephens

Wie ’s zomers in de tuin of wegberm kijkt, ziet ze soms zitten: kloddertjes spuug op plantenstengels. ‘Cuckoo spit’, ‘frog spit’ of ‘snake spit’ noemen de Engelsen het, maar de koekoek, de kikker en de slang hebben er niets mee te maken – het zijn jeugdige spuugbeestjes die het witte schuim produceren. Hoe kan het toch dat die millimetergrote dieren niet verdrinken in hun eigen spuug, vroegen Canadese biologen zich af. In het Journal of Experimental Biology komen ze met het antwoord. Uit onderzoek aan één specifieke soort, de schuimcicade (Philaenus spumarius), blijkt dat jonge spuugbeestjes in hun jeugd kunnen ‘snorkelen’.

Sap uit plantenstengels

Spuugbeestjes zijn insecten met een onvolledige gedaanteverwisseling, wat betekent dat ze in verschillende stappen geslachtsrijp worden. Vrouwelijke spuugbeestjes leggen per keer honderden eieren op planten, bijvoorbeeld pinksterbloem of brem. De nog-niet-volwassen spuugbeestjes, de nimfen, drinken vervolgens het sap uit de plantenstengels. Van de vloeistof kunnen ze een schuimnest produceren, dat hen beschermt tegen vijanden tot ze volwassen zijn. Daarin verblijven ze meestal zo’n anderhalve maand. Voor de planten is hun aanwezigheid niet schadelijk.

Aannemelijk was dat de spuugbeestjesnimfen hun zuurstof haalden uit de aanwezige luchtbellen, maar uit metingen bleek dat het zuurstofniveau in de luchtbellen niet veranderde door aanwezigheid van de dieren. Bovendien bleek dat de dieren het grootste deel van de tijd hun achterlijf met daarin hun ademopeningen (de zogeheten stigmata) naar buiten staken, als een snorkel. Als ze schrikken, dan trekken ze hun lijf volledig het schuim in. In zo’n schuimschuilplek blijven ze nooit langer dan 70 seconden, anders wordt de CO2-concentratie te groot, aldus de Canadezen.

Eén grote bel

Er is één moment waarop de schuimcicades niet kunnen snorkelen: net voordat ze volwassen worden. Dan ontwikkelen ze een hard exoskelet en hebben ze al geen flexibel achterwerk meer dat ze als snorkel naar buiten kunnen steken. Omdat ze in dat stadium nog wel kwetsbaar en roerloos zijn, blijven ze in het schuim. Daar prikken ze meerdere luchtbellen door, waardoor ze in één grote bel kunnen schuilen. Daarin is voldoende zuurstof aanwezig voor de nimfen om te ademen tot al het spuug gedroogd is en ze als volwassen schuimcicade de wereld in kunnen springen.

Lees over een cicade-invasie uit 2013: Amerikaanse oostkust overspoeld door miljarden sekszoekende cicaden