Opinie

Verdronken migranten zijn geen afval

Migratie Op een heuvel aan de kust van Tunesië ziet aan de ene kant bergen zout, bestemd voor Europa. Aan de andere kant anonieme graven voor migranten die Europa nooit bereikten. „We kunnen niet langer wegkijken.”

Foto Nariman El-Mofty

Staand op een onbeduidende heuvel buiten het Tunesische kuststadje Zarzis kun je goed om je heen kijken. Aan de ene kant strekt zich een glinsterende vlakte uit, in de verte gloren zoutbergen. Aan de andere kant is het landschap verkaveld, daar groeien enkele olijfbomen. Dan wordt mijn blik naar beneden getrokken. Aan de voet van de heuvel liggen vreemde, langwerpige zandhopen. Aan één uiteinde is telkens een steen geplaatst. Het is een begraafplaats voor onbekende verdronken migranten. Circa vierhonderd mensen liggen hier begraven. De zee heeft hen naar de kusten van Zarzis gevoerd.

Als het flink heeft gewaaid of geregend, toont de heuvel zijn oorsprong: een vuilnishoop.

De heuvel bevindt zich aan de rand van een bijzonder geologisch landschap, de Sebkha. Het is een kustlandschap, een zoutvlakte die is opgebouwd uit constante afscheidingen van slib, klei, modder, zand. Bij de Sebkha ontmoeten zee en land elkaar; komen zout en afval en menselijke resten bij elkaar.

Al jarenlang drijven er lijken voor de kust van Zarzis. Visser Slahedine M’charek vertelt dat de situatie sinds kort is verbeterd, door de inzet van de kustwacht. Maar vroeger kon hij ze al „van achthonderd meter” ruiken. Iedere keer als hij uitvoer, was hij bang weer met de drama’s te worden geconfronteerd. De kans was groot. Want sinds 2015, het jaar dat de vluchtelingenstroom mede door de oorlog in Syrië ongelooflijke proporties aannam, lieten meer dan veertienduizend mensen het leven bij de oversteek over de Middellandse Zee.

Wat gebeurde er aan de andere kant van de zee, aan Europese zijde? In de EU staat kwetsbaarheid al jaren hoog op de politieke agenda. Niet kwetsbaarheid van mensen, maar van onze grenzen. Alle internationale, bloedige conflicten ten spijt hadden niet de mensen die een veilig onderkomen zochten maar onze grenzen extra zorg nodig. En dus kwamen er meer grenswachters, meer patrouilleboten, meer helikopters, meer drones. De Turkije-deal deed in 2016 definitief de grens op slot.

Vanaf dat moment was de mens die naar Europa wilde vluchten, aangewezen op de enige en gevaarlijkste route: per boot over de Middellandse Zee. Daarop spoelden duizenden slachtoffers aan op de stranden, gingen met scheepswrak en al naar de bodem van de zee of dobberden uitgedroogd en verhongerd op zee rond.

Wie waren deze mensen die de reis naar Europa niet overleefden? Hoe heetten ze, aan wie behoren hun lichamen toe?

Tot mijn verbazing werden deze vragen nauwelijks gesteld. Terwijl Europa reeds in 1996 heeft bepaald dat alle mensen het recht hebben om na hun dood hun identiteit te behouden. Voor de Nederlandse slachtoffers die de tsunami in Thailand of de vlucht met de MH17 niet overleefden, haalde de overheid terecht alles uit de kast om hen te identificeren. Maar van de slachtoffers aan de randen van Europa keek en kijkt ze weg.

Lees ook: Een nieuw laboratorium voor de opsporing van vermisten, in Den Haag.

Het gebrek aan een gemeenschappelijke Europese inspanning is ingegeven door de angst voor de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Wie kijkt moet ook iets doen. De doden als gelijkwaardige mensen zien schept verantwoordelijkheden.

De visser

De vraag wie deze mensen waren die de reis naar Europa niet overleefden, bracht mij onverwacht naar de stad waar ik oorspronkelijk vandaan kom: Zarzis. De vissers leidden de weg. Zij hebben honderden mensen gered en de kustwacht geholpen bij het bergen van de lijken. En konden ze de lichamen van de verdronkenen niet aan boord nemen, omdat ze bijvoorbeeld net uit varen gingen, dan hielpen ze door de locatie van het lichaam in het water aan de kustwacht door te geven. Op basis van die gegevens, gecombineerd met windkracht en zeestroming, kon de kustwacht uitrekenen waar en wanneer het lichaam op het strand zou aanspoelen.

Je zou kunnen zeggen dat de vissers een onverwachte forensische speler waren geworden. Een onmisbare schakel bij de zorg voor de dode lichamen, en mogelijk bij het identificeren van de slachtoffers. De vissers zetten me ook aan het denken over de forensische praktijk.

Tot dan toe kende ik de forensische praktijk als een strak geordende keten van actoren met een duidelijk omschreven rol die zich van duidelijk omschreven technieken bedienen. Maar rond de zorg voor dode migranten ontwikkelen zich heel nieuwe forensische structuren. Dat heeft te maken met de diverse plekken waar lichamen worden gevonden, en wat er dan nog van over is.

De middelen zijn doorgaans ontoereikend. Op Sicilië bijvoorbeeld, waar forensisch onderzoekers honderden lijken moesten identificeren, werd een plastic ricotta kaasbakje in het afvoerputje van een grote wasbak geplaatst. Op die manier konden de onderzoekers de vele kleine botjes van de slachtoffers opvangen – voorheen verdwenen deze gewoon door het putje.

Forensisch werk wordt ook wel ‘de kunst om bewijsvoering’ genoemd. Zien we forensisch werk als een ‘kunst’ om materiële sporen serieus te nemen en om die sporen te laten spreken, dan kunnen we het forensisch werk (in de context van migratie) ook ‘de kunst van aandacht geven’ noemen. De kunst om aandachtig de weinige materiële sporen waar te nemen en te onderzoeken. Sporen die ons uitnodigen tot engagement, om iets te denken, om iets te doen.

Geven we aandacht aan deze sporen, dan gaan we ook een verplichting aan, om de sporen te volgen en ons in te beelden wat er aan de hand kan zijn.

Denk aan de foto van het levenloze lichaam van Aylan Kurdi, het jongetje op een Turks strand dat de vlucht uit Syrië naar Europa niet haalde. Die foto bracht het lijden van onschuldige mensen, van kinderen die aan een oorlog proberen te ontsnappen, dichterbij. De kleding van het jongetje droeg daaraan bij. Wie met aandacht naar de foto keek, zag de zorg van ouders voor hun kind. Het jongetje kon zomaar een kind in onze straat zijn.

Verbeelden en sporen volgen, begint met opmerken, aandacht geven.

Het afval

Afval, geur, wrakhout zijn belangrijke forensische sporen en verdienen daarom aandacht. Ze maken bovendien het drama zichtbaar. Een groot aantal migranten verdwijnt naar de bodem van de zee, zij laten slechts sporen na, sporen die aanspoelen en die wij, zonder er over na te denken, weggooien. Als was het afval.

Maar een lichaam is geen afval. Daarom worden de lichamen die op het strand van Zarzis aanspoelen, begraven, onder aan de heuvel, zo goed en kwaad als dat gaat. In juni 2017 was ik erbij toen een jongetje werd begraven. Hij moet een jaar of zes, zeven zijn geweest. Toen ik vier maanden later terugkeerde in Zarzis, besloot ik zijn graf te bezoeken. Het had net gedurende langere periode hard geregend en het vele water had ervoor gezorgd dat het afval naar de oppervlakte was gekomen.

Samen met een vrijwilliger van de begraafplaats schuifelde ik door de modder naar de plek waar we het jongetje hadden begraven. Uit de grond staken een paar botten. Het waren zijn ribben. Menselijke resten als afval.

Maar wat als we ‘menselijke-resten-als-afval’ serieus nemen? Wat als we afval een forensische benadering geven en als sporen zien? Forensisch in de zin van ‘de kunst van aandacht geven’?

Mohsen Lihidheb is kunstenaar en strandjutter in Zarzis. Van de spullen die hij op het strand vindt, of langs de waterranden van de Sebkha, maakt hij landschapskunstwerken. In eerste instantie was zijn kunst vooral een commentaar op milieuproblemen. Maar eenmaal geconfronteerd met aangespoelde dode lichamen in de jaren negentig, begon hij sporen van verdronken migranten te verzamelen. In de loop van de jaren heeft hij een ongelooflijke hoeveelheid schoenen, slippers, kleding en accessoires verzameld. Daarvan maakt hij kunstwerken, ‘configuraties’ zoals hij ze noemt, op zijn erf en in een klein museum dat hij daar heeft ingericht.

Het is overweldigend. Nu is afval eens niet bedoeld om door de mens buitengeworpen en vertrapt te worden, maar als hulpmiddel om onze menselijkheid te behouden. Door aandacht te geven en sporen te volgen.

In de context van dode migranten kan afval verschillende dingen betekenen. Natuurlijk kunnen sporen als kleding en andere toebehoren van de slachtoffers bijdragen aan een identificatie – mits gekoppeld aan plaats, datum en omstandigheden van overlijden. Maar sporen in de vorm van afval kunnen de kwantiteit van het drama inzichtelijk maken. Zo houdt Lihidheb statistieken bij van de hoeveelheid plastic flessen, slippers en kleding die hij vindt.

De spullen zijn globale getuigen van de toe- of afname van migranten die de oversteek niet halen. Afval biedt zo – weliswaar beperkt – zicht op iets dat zich anders aan ons blikveld zou onttrekken.

Maar afval heeft nog een andere kwaliteit en die is niet intrinsiek aan de objecten, maar aan wat wij ermee kunnen en willen doen. Lihidheb gebruikt de aangespoelde schoenen, slippers etcetera om kunstwerken te maken die op indringende wijze de migratiecrisis aan de orde stellen. Afval om het reduceren van mensen tot afval ter discussie te stellen.

Het zout

Laten we teruggaan naar de heuvel. Want die is niet alleen een uitzichtpunt, gebouwd op afval, maar ook een (post)koloniale grens. Waar aan de ene kant de middelen ontbreken om fatsoenlijk voor de doden te zorgen, glinstert aan de andere kant het witte goud, het zout.

Daar exploiteert het Franse bedrijf Cotusal het zout van de Sebkha. Het bedrijf heeft een landoppervlakte tot haar exclusieve beschikking, vijftig keer zo groot als het stadje Zarzis. Dagelijks denderen tonnen zout van de Sebkha naar de haven van Zarzis en door, naar Europa, waar het zout wordt gebruikt om wegen begaanbaar te houden, voedsel te conserveren, dure medicijnen van te maken of likstenen voor koeien. Het zout van Zarzis wordt geprezen om zijn uitzonderlijk hoogwaardige kwaliteit en zijn rijkheid aan mineralen.

De zoutextractie is verweven met de koloniale overheersing van de Fransen, tussen 1881 en 1956. Al in 1903 wonnen Franse bedrijven zout in Zarzis. Hoewel sommige mensen stellen dat Cotusal toen al betrokken was bij de zoutwinning, zegt het bedrijf zelf dat het sinds 1949 op de Tunesisch markt actief is.

Het zout dat Cotusal vandaag de dag uit Zarzis weg haalt, kost nog net zoveel als in 1949, toen er onder de koloniale macht zeer gunstige contracten werden opgesteld. Waar Cotusal vijf Tunesische cent voor een ton zout betaalt, betaalt de gewone Tunesische burger 2.500 Tunesische cent voor een kilo. Het contract met het Franse bedrijf is in mei 2014, na de revolutie, opnieuw verlengd zonder veranderingen in de voorwaarden.

In de Sebkha zijn speciale kanalen aangelegd om het zeewater verder het land in te laten stromen, zodat zich daar meer zout afzet. Dit leidt tot immense ecologische schade en problemen met landbouwgrond. Waar zout is, groeien geen olijfbomen. Cotusal wordt in Zarzis bekritiseerd omdat het zo’n groot deel van het land in de onmiddellijke omgeving van de stad ‘koloniseert’, maar niets bijdraagt aan de regionale ontwikkeling, infrastructuur of werkgelegenheid. Intussen is meer dan veertig procent van de jongeren in Zarzis werkloos.

Het zout, 500.000 ton in 2018 volgens het bedrijf, vertrekt vanuit de haven van Zarzis naar Europa. Niet ver daar vandaan zijn sinds 2011 duizenden jonge mannen en recent hele families met kleine vissersbootjes naar Europa vertrokken. Velen hebben het niet gehaald.

Weer wat kilometers verderop investeert Europa met vereende krachten in het bewaken van de Libische grenzen om migranten te weerhouden het Afrikaanse continent te verlaten en naar Europa te trekken.

Zeshonderd kilometer noordelijker, in de hoofdstad Tunis, rekruteren bureaus uit Frankrijk en Duitsland de crème de la crème onder de Tunesische hoogopgeleiden voor de Europese arbeidsmarkt. Een braindrain, waarbij jonge mensen met een medische opleiding of een ingenieursdiploma een speciaal visum krijgen aangeboden en een werkgarantie in Europa voor minstens vijf jaar.

En de boten, die blijven vertrekken.

Staande op de heuvel in Zarzis kun je verschillende kanten opkijken. Maar welke kant je ook opkijkt, overal zie je zout; als natuurbron, als milieuprobleem, als commercieel product, maar ook als koloniale relatie, dodelijke Europese grenspolitiek, of wanneer eenvoudige vrijwilligers zorgen voor het ‘zout der aarde’, de doden.

De problemen zijn complex, oplossingen liggen niet voor het oprapen. Daarom weiger ik mij neer te leggen bij rigide grenzen; tussen wij en zij, tussen daar en hier, tussen toen (zeg: het koloniale verleden) en nu. De forensische benadering die ik heb voorgesteld is de kunst van aandacht geven. Opletten, verbeelden, sporen volgen. Wie aandacht geeft moet iets doen. Die kan niet meer wegkijken.

De volledige Bergrede en meer informatie vindt u hier.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.