Schoffelen in de Amerikaanse achtertuin

Amerikaanse inmenging De Amerikaanse president Trump dreigt met militair ingrijpen in Venezuela. Het past in een traditie. Al twee eeuwen proberen de VS Latijns-Amerika te controleren.

De latere president Teddy Roosevelt voert een Amerikaans regiment aan in Cuba, in 1898.
De latere president Teddy Roosevelt voert een Amerikaans regiment aan in Cuba, in 1898. Illustratie Ed Vebell/Getty Images

Militair ingrijpen in Venezuela is „een optie die op tafel ligt”. President Trump liet begin deze maand in een tv-interview doorschemeren dat hij bereid was geweld te gebruiken om een eind te maken aan het bewind van de Venezolaanse president Nicolás Maduro. Eerder al hadden de Verenigde Staten zware sancties tegen het land afgekondigd, omdat Maduro weigert vrije verkiezingen uit te schrijven. De VS steunen Juan Guaidó, de parlementsvoorzitter die zich heeft uitgeroepen tot interim-president. Door Maduro zijn oliemiljarden te ontnemen, hoopt de regering-Trump diens val te bespoedigen. Maduro zegt dat de VS bewust een humanitaire noodsituatie creëren zodat tot militair ingrijpen kan worden overgegaan.

Het is een alweer een tijdje geleden dat de VS met de wapens kletterden in een conflict met een land in Latijns-Amerika. Maar bijzonder is de oorlogszuchtige taal van Trump zeker niet. Juist de ontspanning in de verhoudingen die onder president Obama plaatsvond, kan als de uitzondering op de regel worden beschouwd. Trump staat met zijn beleid in een lange, interventionistische traditie. De VS zien Latijns-Amerika al twee eeuwen als hun achtertuin – en als ze daarin onkruid ontwaren, nemen ze de verdelging met verve ter hand.

Nieuwe koloniën

De basis van de bemoeizucht ligt bij de zogenoemde Monroe-doctrine. In een toespraak voor het Amerikaanse Congres liet president James Monroe in 1823 weten dat de Europese grootmachten niet moesten proberen nieuwe koloniën te stichten in de Amerika’s. „Wij zijn het de openhartigheid en onze vriendschappelijke relaties met deze landen verplicht om te verklaren dat we elke poging van hun kant om hun systeem naar ons halfrond te verspreiden beschouwen als een gevaar voor onze vrede en veiligheid.” De boodschap was duidelijk: imperialisten, blijf uit onze buurt!

De jonge Verenigde Staten hadden dus weinig op met landjepik door Europeanen, maar dat wilde niet zeggen dat ze zelf van deze zonde bleven verschoond. In de jaren veertig van de negentiende eeuw veroverden de Amerikanen grote delen van Mexico, en daarna begon men invloed uit te oefenen in de rest van het continent. Een Amerikaanse senator vatte de strategie aldus samen: „Als we Midden-Amerika willen hebben, is het de goedkoopste, makkelijkste en snelste manier om erheen te gaan en het te nemen, en als Frankrijk en Engeland zich ermee bemoeien hen de Monroe-doctrine voor te lezen.”

In 1898 werd duidelijk dat de VS ook bereid waren Europese grootmachten actief te verdrijven. De Amerikanen steunden in dat jaar Cubaanse opstandelingen die zich tegen hun Spaanse kolonisator keerden. Het leger en de marine van de VS waren veel te sterk voor de Spanjaarden, die uiteindelijk niet anders konden dan Cuba de onafhankelijkheid geven. De jonge natie stond hierna onder Amerikaanse zakelijke en politieke controle.

‘Stabiel, ordelijk en welvarend’

De bijzonder energieke Republikeinse politicus Theodore (Teddy) Roosevelt nam met zijn cavalerie-eenheid The Rough Riders actief deel aan de gevechten. Toen hij in 1901 president werd van de VS, rekte hij de Monroe-doctrine tot het uiterste op. „Alles wat ons land wenst, is dat onze buurlanden stabiel, ordelijk en welvarend zijn”, zo liet hij het Amerikaanse Congres weten. „Elk land waarvan het volk zich goed gedraagt, kan rekenen op onze hartelijke vriendschap. Als een natie laat zien dat men weet hoe zich met redelijke efficiëntie en fatsoen te gedragen [...], dan hoeft men niet bang te zijn voor ingrijpen van de Verenigde Staten. Structureel wangedrag [...] kan een ingreep door een beschaafde natie echter noodzakelijk maken.” Als wij vinden dat u er in uw land een potje van maakt, komen we orde op zaken stellen, wilde Roosevelt maar zeggen.

Buurlanden moeten er geen potje van maken

Met deze woorden als leidraad waren de VS in de daaropvolgende decennia bijzonder actief in Midden-Amerika en het Caribisch gebied. Tussen 1898 en 1934 stuurden de VS maar liefst dertig keer militairen naar een land beneden hun zuidgrens. Honduras mocht zich met zeven ingrepen in de meeste aandacht verheugen. Het langste conflict was in Haïti, dat duurde van 1915 tot 1934. Op dit eiland bedreven de VS, net zoals in een aantal andere Latijns-Amerikaanse landen, ‘dollardiplomatie’. De VS kochten uitstaande schulden van een land op om daarna met militairen de plaatselijke douane over te nemen en heffingen te innen op Europese import.

Actieve interventie was dus zeker geen verschijnsel dat pas na de Tweede Wereldoorlog de kop opstak. De mondiale strijd tegen het communisme gaf het optreden van de VS in Latijns-Amerika wel een extra dimensie, die voor grote delen van de bevolking rampzalig uitpakte.

Guatemala was het eerste land dat in dit nieuwe tijdvak te maken kreeg met ingrijpen. Na een decennialange dictatuur was in dit land in 1950 Jacobo Arbenz via verkiezingen aan de macht gekomen. Om het lot van de arme boeren te verbeteren, onteigende hij braakliggend land van grote plantages. Veel van deze grond was in handen van het Amerikaanse bedrijf United Fruit, dat fel protesteerde tegen deze maatregel.

Nepnieuws op de radio

President Eisenhower, die vond dat zijn voorganger Truman veel te soft was geweest voor het opkomende communisme, gaf de CIA groen licht om een staatsgreep op poten te zetten. Na een clandestiene operatie waarbij met behulp van via de radio verspreid nepnieuws onrust was gezaaid onder de bevolking, pleegde een groep militairen in 1954 een coup. Arbenz gooide na twee weken vechten de handdoek in de ring. Bij zijn aftreden sprak hij tot het volk: „In wiens naam zijn deze barbaarse daden verricht? Dat weten we heel goed. Ze hebben het excuus van anti-communisme gebruikt. De waarheid is een andere. De waarheid is te vinden in de financiële belangen van een fruitbedrijf en de andere Amerikaanse monopolisten die grote hoeveelheden geld in Latijns-Amerika hebben geïnvesteerd en bang zijn dat het voorbeeld van Guatemala door andere landen zou worden gevolgd.”

De Verenigde Staten waren niet overal even succesvol met hun optreden tegen communistische en nationalistische volks- en verzetsbewegingen. Het bekendste fiasco is ongetwijfeld de invasie in de Cubaanse Varkensbaai van 17 april 1961. Geholpen door de CIA gingen hier Cubaanse troepen aan land die het kersverse regime van Fidel Castro omver wilden werpen. Na drie dagen vechten gaven de nog levende aanvallers zich roemloos over.

Militaire dictatuur

De VS lieten zich door deze mislukking niet afschrikken. De CIA had een vinger in de pap bij staatsgrepen in Brazilië (1964), de Dominicaanse Republiek (1963-’65), Chili (1973) en Argentinië (1976). In al deze landen werd voor langere tijd een militaire dictatuur gevestigd.

Onder president Ronald Reagan ging de strijd tegen het communisme een nieuwe, bloedige fase in. „Centraal-Amerika is veel dichter bij de VS dan veel van de brandhaarden in wereld waarover we ons zorgen maken”, waarschuwde hij in 1983 in een speech. „El Salvador ligt dichter bij Texas dan Texas bij Massachusetts ligt. Nicaragua is net zo dicht bij Miami, San Antonio, San Diego en Tucson als die steden bij Washington.” Om aan dit gevaar het hoofd te bieden, ondersteunden de VS in El Salvador het militaire regime en in Nicaragua de Contra’s, die het opnamen tegen de linkse beweging van de sandinisten. In beide burgeroorlogen vielen tienduizenden doden.

Nadat met het ineenstorten van de Sovjet-Unie in 1991 de Koude Oorlog tot een einde kwam, veranderde de bemoeienis van de VS van karakter. Sinds het presidentschap van George Bush senior is de war on communism overgegaan in de war on drugs. Deze strijd lijkt in landen als Colombia en Mexico nauwelijks minder rampzalig uit te pakken dan in de Midden-Amerikaanse burgeroorlogen van de jaren tachtig.

Links-nationalistisch

Het conflict van de VS met het links-nationalistische regime van de Venezolaanse president Hugo Chavez en zijn opvolger Maduro wordt veroorzaakt door een mix van alle ergernissen die het Amerikaans interventionisme in Latijns-Amerika de afgelopen eeuwen hebben vormgegeven. Er zijn zakelijke belangen in het geding, er is een links-nationalistische regering aan de macht en er is sprake van toenemende maatschappelijke onrust. Donald Trumps waarschuwingen aan het adres van Maduro passen daarom perfect in de traditie die tweehonderd jaar geleden begon met de speech van zijn verre voorganger James Monroe.

Bronnen: Russell Crandall: The United States and Latin America after the Cold War; Grace Livingstone: America’s Backyard; Abraham Lowenthal (red.): Exporting Democracy.

Correctie 17 februari 2019: In een eerdere versie van dit artikel werd president James Monroe John Monroe genoemd. Dat is in bovenstaand artikel aangepast.
Correctie 22 februari 2019: In een eerdere versie van de graphic bij dit artikel werd gesteld dat de Chileense president Salvador Allende bij een coup in 1973 werd vermoord. Hij pleegde zelfmoord. Dat is aangepast.