Recensie

Recensie Beeldende kunst

Misschien was Rembrandt wel heel uitzonderlijk

Expositie De grote tentoonstelling Alle Rembrandts (●●●●●) in het Rijksmuseum laat de schilder vooral zien als mens. Dat past bij de tijdgeest.

Rembrandt van Rijn, ‘De Staalmeesters’ (1662). Bruikleen van de gemeente Amsterdam
Rembrandt van Rijn, ‘De Staalmeesters’ (1662). Bruikleen van de gemeente Amsterdam

Kijk, daar hangt-ie, in het Amsterdamse Rijksmuseum, op de tentoonstelling Alle Rembrandts: Rembrandt Harmenszoon van Rijn als mens. Een écht mens, je zou ’m zomaar op straat kunnen tegenkomen. Die menselijkheid is ook de leidraad van de tentoonstelling: de eerstzaal bevat louter zelfportretten (‘selfies’), de tweede toont etsen en schilderijen van mensen uit zijn omgeving, zijn moeder, zijn vader, zijn echtgenote Saskia. In de volgende zalen zien we hem als een man met een open oog voor de wereld, die regelmatig naar buiten trok, in Leiden en in Amsterdam, om het echte leven te tekenen en te etsen – bedelaars, gewone mensen, Hollandse landschappen, een everzwijn op de markt. En dan blijkt hij ook nog eens een rasechte verhalenverteller te zijn geweest, die ons met zijn werk steeds weer beroert – hoe verheven Bijbels of mythisch zijn thema’s ook zijn, hij weet er altijd de menselijke kant van te raken. Rembrandt wordt zo helemaal een man van nu: zelfbewust, tikje egocentrisch, maar met een open oog voor de mensen om hem heen en voor de wereld. Oprecht. Gevoelig. Een mensch.

Zelfportret, ca 1628. Rembrandt van Rijn

Alle Rembrandts is daarmee een prachtige, zeg maar gerust overweldigende tentoonstelling, bovendien schitterend vormgegeven door Irma Boom. Alleen met die titel is iets geks. Alle Rembrandts toont namelijk niet alle Rembrandts, maar alle Rembrandts uit de collectie van het Rijksmuseum. Dat is nog steeds een respectabel aantal: 22 schilderijen, zestig tekeningen en ruim driehonderd etsen die nog nooit op deze manier bij elkaar te zien zijn geweest en die gezamenlijk een bijzonder overzicht van Rembrandts oeuvre vormen. Toch blijft die titel steken: alsof het museum de toeschouwer een contract voorhoudt met grootse beloftes, maar je niet op de kleine lettertjes wijst.

Lees ook directeur Rijksmuseum Taco Dibbets over de expositie: Het Rembrandtjaar is geen truc, geen marketing

Bovendien, en dat is interessanter, hangt om die titel de suggestie dat Rembrandts oeuvre een absoluut gegeven is. Daar zou best wat relativering bij mogen, zeker als je kijkt naar de geschiedenis van het aantal schilderijen dat de afgelopen tweehonderd jaar aan hem is toegeschreven. In 1885 bijvoorbeeld, dacht men dat Rembrandt 456 schilderijen had vervaardigd. In 1897 waren dat er al 595 en in 1915 kwam de gerespecteerd kenner Cornelius Hofstede de Groot zelf tot het adembenemende aantal van 988 Rembrandt-doeken. Tegenwoordig is de discussie met zo’n 350 redelijk tot rust gekomen, maar daarmee zijn we er toch niet. Wat zal de tijdgeest bijvoorbeeld gaan doen met doeken van leerlingen waar Rembrandt aan mee schilderde? Of wat te doen met musea als The National Gallery in Londen die weigeren het oordeel van het Rembrandt Research Project te accepteren, meestal omdat ze daarmee een Rembrandt uit hun collectie zien wegvallen?

Zaalgezicht tentoonstelling ‘Alle Rembrandts’. Foto Rijksmuseum

Imago en reputatie

Dat gegoochel met aantallen lijkt misschien wat triviaal, maar het zegt wél veel over de veranderlijkheid van Rembrandts reputatie en imago. Die zijn de afgelopen driehonderdvijftig jaar allebei behoorlijk grillig gebleken – sterker nog: je kunt goed volhouden dat de reputatie van ‘Neerlands grootste schilder’ altijd een uitstekende weerspiegeling van de tijdgeest is geweest. En die dicteert op dit moment blijkbaar dat Rembrandt een ‘gewoon mens’ is – wat niet alleen wordt uitgedragen door het Rijksmuseum, maar ook door bijvoorbeeld het Fries Museum, dat hem als Romantische minnaar presenteert (Rembrandt & Saskia: Liefde in de Gouden Eeuw) en het Rembrandthuis, dat met de tentoonstelling Rembrandt’s social network het idee van Rembrandt als ‘netwerker’ uitbouwt. Je snapt het ook wel: in deze tijd, waarin massa en bezoekersaantallen voor musea belangrijker zijn dan ooit en elite en excentriciteit verdacht, is Rembrandt van iedereen. Maar daarmee wordt ook, bijna angstig, het idee vermeden dat Rembrandt misschien wel heel uitzonderlijk was, een genie. Terwijl die uitzonderlijkheid natuurlijk juist de reden is dat we met z’n allen voor de musea in de rij staan.

Lees ook: Negentien tentoonstellingen: hoe voorkom je Rembrandt-moeheid?

Dat buigen naar de tijdgeest is van alle tijden: externe, buitenartistieke redenen hebben altijd een belangrijke rol in de Rembrandt-perceptie gespeeld, wat tot fascinerende schommelingen in zijn imago heeft geleid. Daarbij spelen altijd twee elementen een doorslaggevende rol. Allereerst is daar Rembrandt-de-buitenstaander. Zeker in Nederland, waar iedereen vanaf zijn jeugd diep is doordrenkt met de Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw, vergeten we maar al te makkelijk dat die kunst, met z’n verbeelding van het alledaagse leven, in Europa een enorme uitzondering was. In toonaangevende kunstlanden als Italië en Frankrijk vond men juist dat kunst de toeschouwer moest verheffen, dat schilderijen en beelden een mooiere, betere werkelijkheid moesten tonen – daar golden de klassieken, gepersonifieerd door Rafael, als het hoogste ideaal. En doordat Rembrandt (en ook Hals) zich met hun stijl en belangstelling voor ‘gemene luyden’ onttrokken aan de klassieke ‘wetten’, komen ze als de zeventiende eeuw vordert en dat ideaal ook tot Nederland doordringt, steeds meer onder vuur te liggen.

Rembrandt van Rijn, Jonge vrouw (Saskia?) zittend bij een raam (ca. 1638) Foto Rijksmuseum

Dat zie je het beste bij Arnold Houbraken, een schilder uit de klassieke school, die in zijn boek De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1718-1721) Rembrandt keihard aanpakt. Dat doet hij vooral door zijn werk te koppelen aan zijn persoonlijkheid: omdat Rembrandts werk zo donker en alledaags en aards is, zo suggereert Houbraken, was hij dat zelf ook – en dat is niet zoals het ‘hoort’, aan het begin van de achttiende eeuw. Bovendien helpt Houbraken, in zijn drang om Rembrandt onderuit te schoffelen, bijna terloops een flink aantal roddels over Rembrandt de wereld in die zijn levensverhaal en reputatie tot ver in de twintigste eeuw blijven bepalen – hoor je over Rembrandt een vileine anekdote, dan komt die vaak van Houbraken.

Grote nationale trots

Dat Rembrandt gedurende de achttiende eeuw relatief onbekend was, komt dan ook niet door de kwaliteit van zijn werk, maar door de tijdgeest – classicisten als Houbraken maakten de dienst uit. Rembrandt komt pas weer in de belangstelling aan het einde van die eeuw, als Duitse en Franse romantici in hem een verwante ziel herkennen, om precies dezelfde redenen als waarom de classicisten hem afwezen: zijn alledaagsheid en onstuimigheid. Langzaam komt Rembrandt aan het begin van de negentiende eeuw zo ook weer in Nederland in het vizier. En dat komt goed uit: als België en Nederland in 1831 ‘scheiden’ en de Belgen Rubens claimen als nationaal artistiek symbool, is Rembrandt voor Nederland de perfecte tegenvoeter: aards, Hollands, eigenzinnig en vooral: een kunstenaar wiens werk in niets lijkt op grote buitenlandse kunstenaars als Rafael, Michelangelo, Poussin en Rubens.

Zo groeit Rembrandt vanaf de jaren dertig van de negentiende eeuw uit tot de ‘grote nationale trots’: hij wordt actief gepromoot als symbool van Hollandsheid, in 1852 wordt er in Amsterdam een beeld van hem onthuld, en als vanaf het midden van de negentiende eeuw de Hollandse school met Hals en Vermeer eindelijk uit het keurslijf van het classicisme wordt bevrijd, is Rembrandt hun trotse aanvoerder – en dat zal hij blijven.

Rembrandt van Rijn, Jupiter en Antiope (1659) Foto Rijksmuseum

De romantici hebben alleen één probleem: voor hen moet een held ook een mens zijn. En daar wreekt het zich dat ze weinig harde feiten over Rembrandt weten – en die sombere Houbraken-anekdotes daardoor maar rondgepompt blijven worden. En dus gaan de liefhebbers hem aan het begin van de twintigste eeuw steeds groter maken: in die jaren dijt niet alleen zijn oeuvre tot astronomische proporties uit (die 988 schilderijen), maar ook worden de feiten uit zijn leven steeds vrijelijker geïnterpreteerd.

Neem bijvoorbeeld het feit dat Rembrandt, vooral in zijn Leidse jaren, regelmatig dezelfde oudere man en vrouw schilderde: dat moeten zijn vader en moeder zijn geweest! Hard bewijs voor die stelling bestaat niet en heeft nooit bestaan, (de bewuste vrouw wordt bijvoorbeeld door Jan Lievens eerder geschilderd dan door Rembrandt), maar het idee is zo aantrekkelijk dat het telkens weer opduikt als er behoefte ontstaat aan de persoonlijke Rembrandt – zoals ook nu.

Het is bijna roerend om te zien hoe op Alle Rembrandts zelfs het krachtige, gedegen Rijksmuseum de mythe niet kan weerstaan: op allerlei plekken op de tentoonstelling duiken formuleringen op als: ‘het (ligt) voor de hand dat hij zijn vader en moeder als model kiest’ of ‘vast en zeker zat hier ook Rembrandts moeder model’. Het is vermoedelijk niet waar, maar je snapt het wel: in deze tijd, waarin we alles van iedereen kunnen zien en weten, nemen we geen genoegen meer met ‘ik weet het niet’. Rembrandt moet een mens zijn – een hele, volledige, romantische mens.

Rembrandt, Portret van de apotheker Abraham Francen (1655-1659, ets, droge naald en burijn, 159 x 210mm) Foto Amsterdam Museum

Maar zoals gezegd: we weten het niet en daarom zal zijn verhaal altijd wel een weerspiegeling van de tijdgeest blijven. En het mooie is: uiteindelijk doet het er niet toe, omdat zijn werk de anekdotiek met gemak overstijgt, ook op Alle Rembrandts. Die tentoonstelling is juist zo goed omdat die zo groot is, en er zoveel meer etsen en tekeningen te zien zijn dan op soortgelijke overzichten. Daardoor ontstaat er een zeldzaam compleet portret van de man, of beter: van de kunstenaar. Kijk hem hier nou hangen, Rembrandt Harmenszoon van Rijn, in de volle glorie van zijn werk: hij zoekt, tast, leert, begrijpt, bemint, glundert, excelleert – en stijgt zo uiteindelijk ruimschoots boven iedereen uit. Een mens én een genie. Dat moeten we nooit vergeten: dat het werk altijd de eerste en de laatste reden is om in Rembrandt geïnteresseerd te zijn, dat juist het werk hem boven alle modes en grillen en tijdgeesten doet uitstijgen. Wie Rembrandt ook is, was of gaat worden: het werk, dat blijft staan. Dat is genoeg.