Je laten fotograferen is je blootgeven

Nederland heeft lief NRC vraagt lezers Nederland in beeld te brengen. Hoe hebben wij lief? Je ziet niet alleen intimiteit, maar ook dat het fotograferen een intieme handeling kan zijn.

Foto Francis Heijstraten

Ik heb een kartonnen doos met foto’s. Stop – zouden er al lezers zijn die zich afvragen wat dat betekent? Foto’s, in een doos? Misschien wel. Vroeg of laat zal het gebeuren. ‘Ik zit op mijn telefoon’ betekende tien jaar geleden ook iets anders.

Goed, die doos, dus. Vol foto’s, op glimmend en mat papier, dun karton eigenlijk, in verschillende formaten, de meeste een beetje krom getrokken. Soms strooi ik hem half leeg en laat de foto’s door mijn handen gaan. Landschappen die niemand meer kan binnengaan, mensen die nog onsterfelijk zijn.

Veel foto’s zijn in zwartwit en ik heb ze zelf gemaakt. ‘Gemaakt’, nog zo’n woord. Maken is kijken en klikken. Liefst goed kijken en klikken op het goede moment, toen ook al. Maar daarna moest je lang wachten tot je opnieuw kon zien wat je had gezien.

Je kon het uitbesteden en je kon het zelf doen, in het rode licht van de doka, de donkere kamer. Timer instellen, fotopapier belichten, het belichte papier in het ontwikkelbad laten glijden en dan het beeld langzaam zien opkomen in de vloeistof – eerst een vleugje grijs, dan de contouren van een gezicht, een oog, een haarlijn en tenslotte het complete gezicht van iemand van wie je houdt.

Foto Mariëlle Franssen
Foto Els Bax
Foto’s Mariëlle Franssen en Els Bax

Stop! In het stopbad ermee, na een minuut in de fixeer, en dan kon het gewone licht weer aan. Waarna je die foto nog eens goed bekeek en besloot om het over te doen, met een iets langere of kortere belichtingstijd, of papier met een groter contrast. Net zolang tot je tevreden was, en je een waslijntje vol had met druipend papier aan wasknijpers.

Sommige van mijn oude foto’s ruiken nog steeds naar de azijn van het stopbad. Over andere is een bruin waas getrokken; die zijn te kort gespoeld na het laatste fixeerbad. Er zijn foto’s waarvan ik niet meer weet wanneer ze genomen zijn. Er zijn foto’s waarvan ik zeker weet dat ze er ooit waren, maar die niet in de doos zitten. En er zijn foto’s waarvan ik spijt heb dat ik ze nooit gemaakt heb.

„Fotografen zien mensen zoals ze zichzelf nooit zien”, heeft Susan Sontag geschreven in On Photography (1977). „Ze weten iets van hen dat zij zelf nooit zullen weten.” Dat is waar. Hoe langer je kijkt, hoe meer je te weten komt. En dan zegt Sontag iets merkwaardigs: „fotograferen betekent daarom schenden.” Het is een oude gedachte: de fotograaf als een rover van zielen. Je geeft je immers bloot aan de camera. En met dat beeld kan de fotograaf doen wat hij wil. Maar ik geloof niet dat het geldt voor de foto’s op deze pagina. Ook deze mensen geven zich bloot, aan de fotograaf, maar vooral aan iemand anders, waar de fotograaf bij mocht zijn. Dan zie je niet alleen intimiteit, maar ook dat het fotograferen zelf een intieme handeling kan zijn, die niets met schenden te maken heeft, en ook niet veel met esthetiek, maar alles met tederheid.

Foto Marij Wagenaars
Foto Carlijn Basteleur
Foto’s Marij Wagenaars en Carlijn Basteleur

Misschien kan ik daarom niet zo goed tegen foto’s die zich opdringen, foto’s waaraan je zo nadrukkelijk kunt zien wat ze eisen van hun publiek. David Hamiltons tienermeisjes, gezien door een lens met vaseline, bijvoorbeeld. En ook de spontane kus die Robert Doisneau in 1950 voor het Hôtel de Ville in Parijs heeft gevangen. Al kan die foto er zelf natuurlijk niets aan doen dat hij sindsdien door zoveel mensen is gezien dat hij, zoals het heet, ‘een icoon’ is geworden.

Maar de foto’s op deze pagina veinzen niets, ze zijn weerloos en ze maken weerloos. Ze weten iets van jou.