Honderd jaar ‘Herfsttij’: intens middeleeuws leven als reusachtig zelfbedrog

Geschiedenis De beroemdste Nederlandse geschiedenisstudie is een eeuw oud: de ‘Herfsttij’ van Johan Huizinga over de late Middeleeuwen. „Meer het boek van een intuïtieve denker dan van een echte historicus.”

De jubileumeditie van ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ van Johan Huizinga.
De jubileumeditie van ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ van Johan Huizinga. Fotostudio NRC

‘Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu.” Wie zou nu een studie van de late Middeleeuwen durven beginnen met zó’n pretentieuze beginzin? Levensgevallen, wat zijn dat? Uiterlijke vormen? En hoezo was alles veel scherper dan nu?

En toch, zo begint het beroemdste Nederlandse geschiedenisboek, dat deze maand honderd jaar oud is: Herfsttij der Middeleeuwen. Studie over levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden. In essentie is het een analyse van de cultuur van het Bourgondische hof, in de tijd dat de Bourgondische hertogen door handige huwelijkspolitiek eerst Vlaanderen en daarna ook Holland en Brabant verwerven (1363-1477). Door de poëtische titel, de bloemrijke stijl, het krachtige idee van verval en decadente bloei, en de vele fascinerende verhalen over bizarre vroomheid en ruwe ridderromantiek is de Herfsttij een van de weinige iconische Nederlandse geschiedenisstudies geworden. Heel veel mensen kunnen erover meepraten zonder ooit een bladzij erin gelezen te hebben.

Auteur: Johan Huizinga (1872-1945). Hij was ooit opgeleid als indoloog en neerlandicus, maar door een grondige studie van de Haarlemse stadsrechten raakte hij gericht op een carrière als historicus. Zijn Herfsttij is in bijna alle opzichten uitzonderlijk, zowel in aanpak als in onderwerp. Bourgondië valt buiten de belangstelling, in Huizinga’s tijd van geschiedkundig nationalisme. Pas wanneer Oranje en de Republiek op het toneel verschijnen, in de tweede helft van de zestiende eeuw, wordt vaderlandse geschiedenis interessant. Het is ook de tijd waarin de studie van de Middeleeuwen wordt beheerst door wat Huizinga typeert als „stelselmatige hyperkritiek”. Oorkonde na oorkonde en kroniek na kroniek werd nauwkeurig doorgevlooid op fouten en vervalsingen. Eerst orde op zaken, dan pas kunnen we een waarachtige geschiedenis gaan beschrijven, zo luidde het motto van het in Nederland leidende Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis in Utrecht, opgericht en geleid door Huizinga’s leeftijdsgenoot Otto Oppermann (1873-1946).

Huizinga, aangetrokken tot de beeldende en felle Middeleeuwen, is geen doorsnee mediëvist. Hij wil juist schrijven voor een groot publiek, en ook niet alles herleiden naar de geboorte van de Nederlandse staat. Hij is de man van de grote greep en het fraaie beeld. Later zou Huizinga dat nóg eens tonen met zijn andere wereldwijde bestseller met een al even knappe titel: Homo ludens (1938), over het ‘spel-element in de cultuur’ in heden en verleden.

Pralend vertoon

Die middeleeuwers beleefden alles intenser dan wij, schrijft Huizinga in het eerste hoofdstuk van de Herfsttij, en zelfs in „die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest”. „De grote heren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon, wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alle luide aan met omgang, kreet, klaagroep en muziek. [...] Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje.”

Nederlandse historici reageerden honderd jaar geleden niet enthousiast. „Je kan net zo goed een detective lezen”, schamperde Oppermann over Herfsttij. En een andere vakgenoot, S. Muller Fzn. ,had liever „wat eenvoudiger en klaarder taal” gelezen. „Literaire lauweren zijn voor een geschiedschrijver altijd enigszins gevaarlijk”.

Onder het algemene publiek en in het buitenland sloeg het dikke boek wél aan: het is nooit uit druk geweest. Ter gelegenheid van het jubileum onthulde de Nederlandse minister van Cultuur vorige maand een gedenksteen voor de historicus in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. En Leiden University Press heeft een rijk geïllustreerde jubileumuitgave verzorgd.

„Als Nederlandse mediëvist reis ik over de wereld nog altijd op het paspoort van Huizinga”, bekent Frits van Oostrom, universiteitshoogleraar in Utrecht en bekend auteur over de late Middeleeuwen. „Nog altijd wordt er naar de Herfsttij verwezen. Via een Google-alert erop krijg ik elke dag meldingen. Ja, het beeld van de late Middeleeuwen heeft Huizinga te fel aangekleurd, te contrastrijk. Zelfs een beetje aanstellerig misschien. Maar je kan er niet omheen. Huizinga had de durf om een beeld te schetsen zonder ‘enerzijds, anderzijds’.” Zoals Van Oostrom al bij een eerder jubileum schreef: „Iedere mediëvist zou Herfsttij geschreven willen hebben, maar niemand zou de inhoud voor zijn rekening willen nemen.”

Intuïtieve denker

De Franse mediëviste Élodie Lecuppre-Desjardin publiceerde onlangs een grote studie over de Bourgondiërs (Le royaume inachevé des ducs de Bourgogne (XIVe-XVe siècles). In december organiseerde ze een symposium over de Herfsttij (titel: ‘De smaak van bloed en rozen’, Le goût du sang et des roses) in Lille, waar ze ook hoogleraar is. „Ik vind het meer een boek van een intuïtieve denker dan van een echte historicus”, zegt ze aan de telefoon. „Maar juist daarom heeft hij veel begrepen van het middeleeuwse symbolische denken. Hij beschrijft de handel bijvoorbeeld niet met een boek vol cijfers, maar vanuit het perspectief van de zonde. Precies zoals een middeleeuwer zou doen! In mijn eigen onderzoek herken ik veel van zijn intuïties terug. En bedenk wel: nu is het normaal over de emoties in de geschiedenis te schrijven, maar in de tijd van Huizinga was zo’n culturele en antropologische blik volkomen uniek. Ik geef het boek daarom weleens te lezen aan mijn studenten, als goede introductie op het denken van de late middeleeuwers, mits ze het niet té serieus nemen.”

Want er is ook veel dat niet klopt bij Huizinga, zegt Lecuppre-Desjardin: „Hij kan wel schamperen over die ridderlijkheid comme une dilettantisme puérile, als kinderlijk amateurisme, met van die toernooien die twee weken duurden. Maar die ridderidealen leefden echt bij de militaire elites van die tijd, die óók in staat waren gecompliceerde oorlogen uit te vechten. Die gevechten waren ook niet de amusante trivialiteiten die het bij Huizinga worden.”

Van Oostrom is milder. „Huizinga legde veel te veel nadruk op die Bourgondische feesten. Dat ondertussen het land best goed bestuurd werd, laat hij niet zien. Ze waren niet alleen maar aan het dansen! Maar met die leegheid van het ridderideaal heeft Huizinga ook een punt. Als je ziet hoe Holland toen uit wraak Friesland wilde aanvallen, om de riddereer. Waanzin, spilziek vertoon! En feesten die twee weken duren zijn toch wel een béétje decadent?”

Geen overgangstijd

In zijn precieze maar voor moderne oren gedragen taal schetst Huizinga niet alleen een meeslepend cultureel en haast antropologisch beeld van het Bourgondische hof, maar ook van het einde van de Middeleeuwen in het algemeen. Die late Middeleeuwen waren in zijn Herfsttij – de titel zegt het al – niet de opmaat voor iets nieuws, bijvoorbeeld voor een moderner bestuur of voor zoiets als herleving van wetenschap en kunst in de Renaissance. Het was geen overgangstijd tussen Hoge Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, het was een afgesloten eindtijd van verval en vervreemding, waarin oude vormen voortleefden in een samenleving die er eigenlijk niet meer bij paste.

Dat ongewone titelwoord ‘herfsttij’, waarin het dagelijkse rijzen en dalen van de zee vermengd wordt met de kringloop der seizoenen, werd speciaal voor Huizinga bedacht door de bevriende dichteres Henriëtte Roland Holst. Herfstiger en melancholieker kan bijna niet. Een van Huizinga’s eerdere titels was nog ‘Een eeuw van uitbloei’. Van Oostrom: „Ik woonde vroeger in Leiden bij de Hortus aan de Witte Singel, waar ook Huizinga op uitkeek toen hij werkte aan zijn Herfsttij. Als ik dan denk aan hoe uitbundig die bomen daar de seizoenen doormaakten, met een schitterend einde in de herfst, dan moet – denk ik – dat uitzicht Huizinga wel mede in die richting hebben geholpen.” In buitenlandse edities wordt herfsttij onvertaalbaar geacht en meestal vertaald als het simpele ‘herfst’. De eerste Franse vertaling heette aanvankelijk Le déclin du Moyen Age, het verval van de Middeleeuwen, maar latere drukken brachten de herfst weer terug. In het Engels is lange tijd gekozen voor de getijdenkant, met The Waning of the Middle Ages, ‘Het wegebben der Middeleeuwen’, al is in de nieuwste Engelse drukken toch weer de herfst teruggekomen.

Hoofdstuk na hoofdstuk wil Huizinga laten zien: aan het einde van de Middeleeuwen was er slechts traag afsterven van uitgeholde vormen als ridderschap en hoofse liefde. Maar wat was het een uitbundig afsterven! Verbeelding en feesten bloeiden als nooit te voren. Die paradoxale culturele kracht ontstond omdat het een vlucht was, herhaalt Huizinga keer op keer, juist omdat de werkelijkheid al lang niet meer ridderlijk was.

Op basis van studie van vele Bourgondische kronieken, gedichten, schilderijen en geïllumineerde manuscripten beschrijft Huizinga haast met begeerte het straattheater van de vorstelijke intochten vol vlaggen en spektakel en ook van de terechtstellingen, waarin terdoodveroordeelden alsnog berouw en inkeer toonden of juist niet. „De wrede prikkeling en de grove vertedering van het schavot waren een gewichtig element in de geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen gruwelijke roverijen verzon de justitie gruwelijke straffen: een jonge brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende takkenbossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende woorden ten voorbeeld, ‘en hij vertederde de harten zodanig, dat iedereen smolt in tranen van medelijden’.”

Hoofse cultuur

Over de hoofse cultuur schrijft Huizinga: „De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar tot de schone droom van het ridderideaal en bouwt daarop het levensspel [...]; het is een reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt.”

Dát was ook het idee dat Huizinga jaren eerder voor ogen had tijdens een eenzame wandeling langs het Groninger Damsterdiep in 1907: „De late Middeleeuwen niet zozeer als de aankondiging van het komende, maar als het afsterven van dat wat heengaat”, gedomineerd door overleefde maar volgehouden ‘levensvormen’. Volgens Huizinga-kenner Wessel Krul, hoogleraar moderne cultuurgeschiedenis in Groningen, is dat idee van verval op zichzelf niet bijzonder, ook niet in Huizinga’s tijd. Maar wat wél bijzonder is – zo schrijft Krul in 1997 in het Journal of Medieval and Early Modern Studies – is dat volgens Huizinga óók de zestiende-eeuwse Renaissance, van oudsher toch een tijdperk van vernieuwing en individualistische moderniteit, nog totaal in die middeleeuwse traditie staat. De oplettende lezer van de Herfsttij ziet dat idee ook regelmatig terugkeren, vaak in een terloops zinnetje. Het ‘herfsttij’ duurt op die manier tot ver in de zeventiende eeuw en misschien nog wel langer.

Blijvend succes

„Niet alleen dus die meeslepende taal bepaalde het blijvende succes van de Herfsttij ”, zegt Wim Blockmans, emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis te Leiden, door de telefoon. „Ook die allesomvattende visie over de neergang, over de uitholling van de vormen en de grote kloof met de samenleving.” En, zo voegt Blockmans daar aan toe: „Terecht heeft Huizinga ook de breuk tussen Middeleeuwen en Renaissance gerelativeerd. Die Renaissance is een verzinsel van de dichter Petrarca dat daarna eindeloos is opgehemeld. In werkelijkheid zie je één lange ontwikkeling, zeg maar van 1200 tot 1789.”

Lees ook een interview met Frits van Oostrom over de Hollandse ridder Jan van Brederode (1372-1415).

Maar dan somt Blockmans, die in 1997 met Walter Prevenier het standaardwerk De Bourgondiërs publiceerde, desgevraagd de nadelen van de Herfsttij op. „Er was geen stilstand in de Bourgondische tijd, geen herfsttij van een cultuur maar juist permanente evolutie. Je kan zelfs zeggen dat het een hoogtij was. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de reële levensstandaard van ambachtslieden, dan zie je dat die in de vijftiende eeuw hóger is dan in de drie eeuwen erna. En hoezo was die Bourgondische elite in de ban van een achterhaald ideaal? Het ridderschap blijft nog tot in de achttiende eeuw de hoofdleverancier van legerleiders. Huizinga heeft die veerkracht van de elite totaal onderschat. In feite was de adel in de Bourgondische tijd ook al ver verstedelijkt, in iedere grote stad stonden paleizen. Als je dat beseft, zie je ineens veel minder contrasten in de samenleving. De schilder Jan van Eyk schilderde net zo makkelijk voor de Gentse burgerij als voor de hertog van Bourgondië zelf. En dan al die waardeoordelen in het boek! Ik heb in Leiden mijn studenten weleens de Herfsttij laten bestuderen. Zij verwierpen al die waardeoordelen over de cultuur, allemaal vooropgezette ideeën vonden ze. En ze vonden ook dat hij veel te sterk leunde op één type bronnen, de kronieken, zonder zich veel te bekommeren om het feit dat die allicht voor een heel specifiek publiek geschreven waren.”

Natuurlijk was Bourgondië een theaterstaat, zegt Blockmans, waarin door het hof met veel spektakel, kunst en rituelen een gemeenschappelijk schouwspel voor zeer verschillende landen werd opgevoerd, van Dijon in het eigenlijke Bourgondië tot Gent, Brussel en Dordrecht in de noordelijke gebieden. „Maar hoezo kinderlijk?” vraagt Blockmans zich af. „Het spektakel was een zeer nuttig instrument om een beetje eenheid te creëren. Het was propaganda, nu zou je het een communicatiestrategie noemen. In veel van hun landen waren de Bourgondische prinsen een vreemde, Franse dynastie. Ze moesten wel een krachtige beeldtaal gebruiken. Trouwens, nog altijd vergapen mensen zich aan het spel dat in de hogere sociale lagen wordt gespeeld.”

Lees de recensie van Bart Van Loo:De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen: Knokken, moorden, dichten en drinken