Recensie

Het positivisme van Nasrdin Dchar in ‘JA’ is aanstekelijk

Na Oumi, over zijn moeder, en Dad, over zijn vader, speelt Nasrdin Dchar de theatersolo JA, over zijn vriendin. Hij zoekt antwoord op de vraag waarom hij zich schuldig voelt tegenover zijn Marokkaanse familie dat hij met een Nederlandse is.

Nasrdin Dchar speelt ‘JA’.
Nasrdin Dchar speelt ‘JA’. Foto Raymond van Olphen

Negativiteit is aanstekelijk, zegt Nasrdin Dchar aan het eind van zijn voorstelling JA. Die gedachte verwijst naar de problemen die zijn relatie als man van Marokkaanse afkomst met een vrouw van Nederlands-Indonesische afkomst met zich meebrengen. Daarin kun je jezelf verliezen. Maar positiviteit is ook aanstekelijk, vult hij snel aan. En dat is de slotsom van zijn voorstelling, die ook de essentie is van zijn houding in het leven en van zijn kunstenaarschap.

In JA schetst Dchar hoe hij als twintigjarige verliefd werd op Amy, een Brabants meisje. Maar voor zijn ouders is verkering hsoema, een begrip zegt hij, dat je net als gezelligheid niet kunt uitleggen: ergens tussen taboe en schaamte in. Toch komt die relatie er: geen verloving, wel seks voor het huwelijk. Ze doen het gewoon. Tot het moment ze besluiten te trouwen en de invulling van de bruiloft duidelijk maakt dat ze tien jaar lang alle culturele verschillen onbesproken hebben gelaten.

Amy wil geen traditionele Marokkaanse bruiloft waar mannen en vrouwen gescheiden zijn. Op zijn beurt kan Dchar het idee niet aan van zijn aanstaande met een biertje in haar hand op zijn bruiloft. Als moslim drinkt hij niet en dat zij soms drinkt is geen probleem, behalve als dat gebeurt voor het oog van zijn familie. Want het gaat bij hem „om wat de groep wil”. Haar wens is het topje van de ijsberg, beseft hij.

Die ijsberg van tegenstellingen blijft helaas buiten beeld. Nederlanders bespreken alles, maar zijn ouders, moslims, Marokkanen, laten heikele kwesties onbesproken, stelt Dchar. Daar zit de autobiografie het theaterdrama in de weg. In fictie zou er een stem klinken of zou er een gesprek volgen om het conflict te verdiepen en de kramp bloot te leggen. Nu blijft een grotendeels onbestemd schuldgevoel en onbehagen bij Dchar zelf het grootste obstakel.

Humor en charme

JA volgt het patroon van de romkom. Na het probleem volgen de scheiding en de verzoening en die anekdotische lijn maakt dat JA soms wat kabbelt, in weerwil van de grapjes, de muzikale overgangen en de interacties met de zaal. De humor vloeit voort uit de soms grove generalisaties. Hij rijdt een oude Mercedes, zegt Dchar bijvoorbeeld: „Ik blijf een Marokkaan.”

Dchar compenseert die tekortkomingen door een overdosis charme in zijn optreden. Als een Hugh Grant van de Lage Landen palmt hij je in met zijn laconieke spel-met-knipoog. In zijn sukkeligheid is hij oprecht kwetsbaar en in zijn stoerheid klinkt steevast twijfel door. Zelfs als hij in deze solo wat tuttig zijn vader, een vriend of zijn vriendin uitbeeldt, zijn die kwaliteiten doorslaggevend.

Zijn bevlogenheid doet de rest. Hij wil een goede moslim zijn, een goede zoon, een goede Marokkaan, maar hij wil ook zijn eigen draai geven aan de regels van het geloof. De ontlading komt na een uur. Hij haat hoe hsoema moslims elkaar doet veroordelen en een stok is om elkaar te slaan. Zoals hij haat hoe „sommige politici” zijn poging tot discussie en emancipatie zullen aangrijpen om zijn cultuur achterlijk te noemen. „Ik heb een prachtige cultuur en ik doe er alles aan om die mee te nemen in dit land, mijn land, op mijn manier.” Met die hartenkreet maakt hij zijn verscheurdheid op ontroerende wijze navoelbaar.

Dchar is de romanticus die kiest voor de vrouw die hem compleet maakt. En hij is de humanist met de wens de gemeenschap waarin wij leven te helen en één te maken. Bij hem is theater ook echt een gemeenschapskunst. Zijn positivisme is aanstekelijk.