Opinie

    • Beatrice de Graaf

De beeldspraak van de macht

Ik had het beloofd, dus vandaag het vervolg op mijn column van 11 januari. Daarin schreef ik over de historische veranderingen in de beeldspraak van de macht, en dat het ertoe doet of je de staat ziet als een moeder of als een BV. Ik eindigde met de vraag of er een betere metafoor denkbaar is dan die van de machine om het geheel van staat en samenleving aan te duiden. Als we inderdaad accepteren dat dat soort metaforen morele containers zijn die de tijdgeest vangen en bijsturen, dan is het verzinnen van zo’n metafoor niet irrelevant. Ze kunnen zelfs in de Grondwet terechtkomen.

Gelukkig kwamen heel veel lezers met uiteenlopende suggesties. Een aantal reageerders beaamde dat de ‘mens meer is dan een onderdeel van een economisch principe’, en dat ‘de machine’ te kil is. Tegelijkertijd vond een aantal ook dat het ‘democratisch model’ heeft gefaald, als semantiek en als praktijk. De democratie is gaan functioneren tot voordeel van ‘slechts zichzelf selecterende klassen die het voor het zeggen hebben ten koste van de minder vermogenden’. We kunnen daarom beter spreken, zo meende één lezer, van ‘nieuwe slavernij’. Een andere, goed geschoolde lezer stelde voor om voortaan te spreken van een ‘enantiodromie’ (dat krijg je bij NRC-lezers, die hebben de heerlijke gewoonte om columnisten in vindingrijkheid te overtroeven): dat is het fenomeen dat iets in het tegendeel verkeert. De democratische mensenmassa verliest zichzelf in het streven naar economische groei en roept zo het onheil over zich af en faciliteert de opkomst van een ‘oligarchie’ – van ‘Unilever, of van de VVD’.

Valt er nog iets te redden? Ja, we moeten terug naar ‘het dorp!’, meende iemand. ‘Zoals Marten Toonder zijn Rommeldam bedacht om er zijn wereldbeeld op te kunnen projecteren’, zo moeten ook wij weer meer in dorpsbrinken denken. Anderen raakten daarop in paniek: terug naar een dorp, dat nooit! De ‘stadslucht die vrij maakt’, dat was het juiste motto voor ons land en volk. Toch, men wist ook wel dat de ‘tragedy of the commons’ dit tot een romantisch en onhaalbaar streven reduceerde. We torsen allemaal een verloren dorp met ons mee, terwijl we zo amechtig die stadslucht proberen op te snuiven.

Maar nu werd het nog interessanter, de metaforiek maakte plaats voor echte bestuurlijke modellen. Spinoza werd tevoorschijn gehaald, en Thomas Hobbes. Volgens beide denkers was de staat immers ‘een vereniging van burgers die besloot de gemeenschappelijke belangen aan een bestuur over te dragen’. Zo werd de natuurtoestand van anarchie ingeruild voor een geordende staat. Bij Hobbes was die staat nog een ‘mortal God’ die in ruil voor veiligheid absolute gehoorzaamheid eiste. Bij Spinoza, en later Rousseau en Locke, kwam daar ook de notie van burgerrechten bij.

Laten we die beeldspraak van het sociaal contract eens nader inspecteren. Allereerst gaat misschien ook bij u heel zachtjes een belletje rinkelen. De geïnformeerde lezer heeft dat ‘sociaal contract’ de laatste tijd weer af en toe voorbij zien komen, in discussies over de gele hesjes, over nieuwe afspraken in het cyberdomein, en onlangs in de oratie van Kim Putters, de directeur van het SCP, over de zorg. Het is een mooi begrip, enigszins zakelijk, maar wel modern. Maar het is vooral een begrip dat meer dan de beeldspraak van de ‘machine’, of de ‘vader’, het gelijkwaardige karakter van de samenwerkende partijen benadrukt. Men gaat met elkaar een contract aan, om daar gezamenlijk beter van te worden. En de staat, dat is het product van wat die partijen met elkaar besluiten.

Maar nu de hamvraag: ziet u zichzelf als contractant? En vertrouwt u uw andere contractpartners, de rest van de Nederlandse burgerij? Wat nu als die zich niet houden aan de afspraken, of niet beseffen dat er afspraken zijn gemaakt? Of omgekeerd: wat als wij met elkaar wel onze verplichtingen nakomen, en keurig op tijd belasting betalen en hondepoep in zakjes doen, maar de ‘staat’ niet meer levert? Het sociaal contract gedijt alleen bij gratie van vertrouwen en solidariteit onderling. Staat, overheid en functionerend gezag zijn daarvan niet de bron, maar symptoom.

Het begint ermee dat het in tijden van overspannen verwachtingen aan de overheid duidelijk moet zijn dat autoriteit het product is van hoe burgers met elkaar willen omgaan. Tussen 1798 en 1983 werd die metafoor expliciet in de Grondwet vermeld. De passage luidde (in verschillende versies): ‘Het oogmerk der maatschappelijke vereeniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaaving van verstand en zeden’. Eerst was dat artikel 1, later artikel 4 over bescherming van ‘allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden’. Gemeenschappelijke veiligheid was de kleinste gemeenschappelijke noemer op basis waarvan je elkaar kon vertrouwen en gezag moest accepteren. Samen tegen de zee, de Duitsers en een te bemoeizuchtige staat. In 1983 werd die veiligheidspassage geschrapt, daarvoor in ruil kwam het recht op gelijke behandeling. De metafoor van de ‘vereniging’, het ‘contract’ en de bijbehorende wederkerigheid werd over boord gegooid. Wat bleef over? Een cynicus zegt: identiteitspolitiek, en de beeldspraak van het eigen gelijk. Een historicus zal zeggen: terug naar de Verlichting en het sociaal contract.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.